Sleutels en parkeerplaatsen
3-03-2012
Mijn eerste auto, een Opel Rekord die ik voor 900 gulden had gekocht, beschikte over ronde uitschuifbuisjes-sloten bij de ramen. Toen ik eens de sleutel in het contact had laten zitten en de deur had dichtgegooid, kon ik met de handen het raam naar beneden drukken door, met een in een lus gebogen ijzerdraad van een kleerhangertje, het buisje omhoog te vissen waarmee de deur geopend was.
Later ging het minder makkelijk. Ik was met vriend en hond naar strand Nulde aan het IJsselmeer gegaan. Het prachtige zomerweer deed ons verlangen naar een verfrissende duik in het koele nat. Toen we nogal plakkerig uit de warme auto kwamen, kleedden we ons snel uit. M’n autosleutel deed ik in m’n schoen. Terwijl we lekker aan het zwemmen waren, zag ik de hond met m’n schoen in z’n bek lopen! Spelen? dacht de hond toen hij me aan zag komen rennen en schudde me met de schoen in z’n bek van me af. Daarbij vloog de sleutel met een sierlijk boogje door de lucht en kwam ergens in het ondiepe strandwater op de bodem. Hoe vertwijfeld we ook, op onze knieën gezeten, met onze vingers de bodem aftastten, geen sleutel te bekennen. Daar stonden we dan aan het IJsselmeer; zonder sleutel en zonder geld. We liepen naar een bushalte en stapten de bus in alsof we dat dagelijks deden, met een vriendelijke groet aan de chauffeur die slechts onze grote hond aankeek en niet taande naar een kaartje.
Ons gesprek in de bus kwam op sleutels. Ik vertelde hoe m’n vriendin haar huissleutel als kind had kwijtgeraakt; ze had de sleutel speels omhooggegooid, maar in plaats naar beneden te komen, bleef de sleutel in een grote boom hangen. Pas in de herfst viel hij met de bladeren van de boom naar beneden.
Ook vertelde ik m’n vriend over de vele nachtelijke thuiskomsten met de deur op slot als ik diep in de nacht m’n bed in wilde duiken. Een geopend bovenraam van m’n slaapkamer bood dan meestal uitkomst. Of ik bleef gewoon in de auto slapen als het raam dicht zat. Wat dat betreft had ik het in de tijd dat ik een Lelijk Eend Bestel had bijzonder comfortabel. In het achterstel had ik een matras met slaapzak. Voor het geval dat. Maar ook tijdens nachtelijke uitstapjes waarbij we zo door het lint waren gegaan dat van autorijden geen sprake meer kon zijn heeft m’n slaapeend haar diensten bewezen. En wat te denken van het reisje naar Vlieland, waarbij m’n vriend en ik onze fietsen prima kwijt konden in het eendje.
Gelukkig had ik thuis nog een reservesleutel. De volgende dag stond m’n makker braaf op me te wachten. Ik was de trotse bezitter van een bordeauxrode Peugeot 404, oud model, met vleugeltjes als je naar de achterlichten keek. Van m’n leraar Nederlands had ik hem voor vierhonderd gulden gekocht. Automatic, een dekschuit zo langzaam hij optrok, maar een luxe jacht op de snelweg.
De Alfa Romeo Nuova Super die ik later had, spoot daarentegen als een kanon weg en scheurde overal met gemak voorbij. Nodigde uit tot een wat aggressievere rijstijl.
Met een houten stuur en pookje deed hij het ook erg goed bij de meerijdende meisjes.
Alleen startte hij steeds slechter. Het lag aan de elektrische starter, aldus de monteur in de garage. Hij bouwde een nieuwe starter in, maar het bleef knudde. Nieuwe onderdelen en reparaties kon ik me financieel niet veroorloven. Als uitkomst parkeerde ik in Amsterdam altijd op bruggen. Als ik wilde startten, zette ik hem in z’n vrij, duwde hem brug af, sprong in de auto en zette de versnelling snel in z’n twee. Meestal sprong-ie dan wel aan.
In Veenendaal, waar ik destijds woonde, zette ik hem s’avonds telkens bij de afrit naar de parkeerkelder van de supermarkt, de helling was schuin genoeg om de motor van de auto aan te laten slaan voordat de auto beneden bij het hek stond.
Toen hij een keer s’ochtends niet aansprong voor hij beneden was en het rolschuifhek nog dichtzat wachtte ik geduldig tot een verbaasde parkeerwachter het hek opende waar mijn auto voor stond te wachten. Na een vriendelijk praatje hielp de man me met duwen, waardoor hij aansprong en ik naar huis kon rijden.
Ook parkeerde ik m’n Alfa eens op een winteravond boven aan een naar beneden hellende marktplaats, waar die avond nog plaats genoeg was. Dat was de volgende ochtend niet het geval, het was markt. Ik probeerde m’n vaartuig naar beneden te duwen, maar plotseling was er geen houden meer aan; het had gesneeuwd en was een beetje glad, zodat ik de auto niet meer af kon remmen en tussen een groentestal en een viskraam klem kwam te zitten, omringd door vloekende marktkooplui.
Gelukkig kwam ik er tussenuit. Benedengekomen vroeg ik een vrouw in een nieuwe BMW of ze me misschien aan kon slepen. Ze was vriendelijk en gaf me een spiksplinternieuw sleeptouw. ‘Hier, maak maar vast’. Het was nog donker en ik zag niet veel, maar zo goed en zo kwaad als het ging maakte ik het touw aan de onderkant van de BMW vast. Toen ik een seintje gaf dat ze kon rijden, bleek dat ik het touw aan haar achteras had vastgemaakt, zodat het touw zich oprolde en brak. Pijnlijk.‘Sorry, het spijt me, toch nog bedankt’ wist ik te zeggen, de vrouw stapte in haar auto en reed weg. Het sneeuwen was nu nog dichter geworden, tijd om uit te kijken naar een ander hulpvaardig medemens. Een sneeuwschuiver van de gemeente kwam voorbij en vroeg wat er aan de hand was. ‘waar woon je? Verlaat 51? O dat is vlakbij, we slepen je wel even naar huis’ zei de gemeentediender. ‘Graag, dank je wel!’ zei ik, blij dat ik voor vandaag van het gedonder met die auto af was. Dan zag ik wel verder.











