Nederlands leraar

Scherpenzeel

4-03-2012

Blog

We gingen verhuizen. Naar Scherpenzeel. Scherpenscheel zei ik tegen m’n zusje die het net als ik maar niks vond. We hadden net in Soest vriendjes en vriendinnetjes en nu moesten we hier weg. Terwijl het in Soest toch veel leuker was als in dat gat met al die boeren. We woonden in de winkelstraat, hadden een prachtig groot openluchtzwembad, het Soester Natuurbad. De koningin woonde hier niet voor niets in de buurt ! En nu naar dat kale industrieterrein met dat kleine kikkerbadje. Niks was het waard, Scherpenscheel.

 Toch leerde ik al snel wat nieuwe vriendjes kennen. Wimpie van de kapper bijvoorbeeld. Op een dag gingen we bramen plukken, we hadden al snel een emmer vol. Wimpie reed bij mij achter op de fiets mee naar huis. Wimpie maar lachen. ‘Wat is zo grappig?’ vroeg ik hem. Toen we thuiskwamen wist ik het; hij had alle bramen opgegeten.

Wimpie kwam met een kraai aan. De kraai was tam en bleef op z’n schouders zitten. Ik mocht de kraai ook een dag op m’n schouders hebben. Kwam ik ermee thuis, zei m’n moeder: ‘wat heb je nou meegebracht? Ik zal je een oogdoekje geven, dan ben je net een echte piraat!’

We gingen drie dagen op schoolreisje. De meester vertelde wat we allemaal mee moesten nemen. Daarna mochten we vragen stellen. Ik stak m’n vinger op: ‘moet je mes en vork meenemen?’. De klas moest hard lachen en de meester ook. Het bleek dat ze hadden verstaan ‘moet je je meisje ook mee nemen?’.

We deden ‘een heitje voor een karweitje’ op Woensdagmiddag. Dan belden we bij alle huizen aan en vroegen: ‘heeft U misschien een heitje voor een karweitje?’ Soms smeten ze de deur voor ons dicht maar soms mochten we de stoep aanvegen of de matten kloppen. ‘is het voor de padvinderij?’ vroeg men soms. ‘Ja’ zeiden we dan en bleven de desbetreffende persoon ernstig aankijken. Dan mochten we bijvoorbeeld het gras aanharken. We kregen meestal een dubbeltje, soms een kwartje. Als we een paar gulden bijelkaar hadden gingen we naar Werner, de speelgoedwinkel. Dan kochten we een stuiterbal of een of ander prulding waarvoor we, tot ergernis van meneer Werner, ons uitgebreid tijd namen om het uit te zoeken.

 We gingen een hut bouwen. In het bos zochten we een mooie plek. Een kuil hadden we al gevonden, nu nog planken eroverheen en plastic en dan bladeren erover en klaar was Kees. We waren al een flink eind op weg. Ik had planken bij m’n vader op de werf gehaald met een platte kar, vuilniszakken had Wimpie in de garage bij hem thuis gevonden. Toen was daar opeens m’n andere vriend Ernest met een paar meisjes. ‘Als je een hut hebt moet je er wel een meisje bij hebben, anders is het niks’ zei hij. ‘Wat moet je hier, wij hebben de hut gebouwd’ zei  Wimpie. ‘En ik heb voor de meisjes gezorgd’ zei Ernest, wijzend op de drie meisjes die een eindje verderop bij hun fietsen stonden te giechelen.

Ieder van ons zou ‘met iemand gaan’. Marjo had mij uitgekozen. Als je elkaar een kus gegeven had, dan was het ‘aan’. Dat deden we. Om het te vieren aten we een veterdrop die Ernest ook nog mee had genomen. Zo’n vriend had je tenminste wat aan.

Ik was morgen jarig en mocht drie vrienden voor m’n verjaardag uitnodigen. ‘Wat wil je als kado?’ vroegen ze me. ‘Die nummer 1 hit uit de top 40’ zei ik.

De volgende dag kwamen ze met z’n drieen aan en overhandigden me plechtig de single ‘El Condor Pasa’ van Simon & Garfunkel. Kostte toen vier gulden vijftig bij Buddingh, de muziekwinkel in Scherpenzeel.