Black Shadow
18-03-2012
Dreumel, het dorpje in de Betuwe diende als decor voor de begrafenis van ome Wim, die ik trouwens nooit gekend had. De kerkdienst was in de fris gerenoveerde kerk van het dorp. Tante Anna, de zus van m’n vader, was wel eens bij ons op visite geweest met haar man en twee zonen.
Met de zonen ging ik toen naar het Scherpenzeelse bos om een beetje te crossen, het was in de begintijd van de brommers, we waren 16. We kerfden onze naam in de bast van een boom, met het jaartal ’75 erbij. Ik ging laatst nog kijken en het stond er nog steeds.
Het meisje dat ik had heette Henny. Later gevolgd door Emmy uit Ede en later Marjolein en Marina uit Woudenberg. Op m’n zestiende woonde ik in een kraakpand op de Langegracht in Amersfoort, naast een begrafenisonderneming. Aan de andere kant van mijn kamer lagen de lijkkisten opgestapeld. M’n kamer lag vol matrassen van het Groene Kruis, waar je voor een habbekrats gebruikte meubels en beddegoed kon krijgen. Waar luisterde ik naar in die tijd? ‘Transformer’ van Lou Reed. Wat las ik? ‘Het Zwarte Licht’ van Harry Mulisch. Spannende nachten waren dat op die vijf matrassen, met Emmy, die zomaar op een dag voor me stond nadat ze het een paar maanden eerder had uitgemaakt. Ze vond het wel stoer dat ik op mezelf woonde en werkte. Of ik ook condooms had? ‘Sure’, was mijn antwoord. Zo’n woord uit die tijd die je niet meer hoort. ‘Sure’. Ik kende het assortiment van de drogisterij waar ik werkte vrij goed en vooral het merk ‘Black Shadow’ was populair, zo bleek door de grote bestellingen van dit merk dat ik op mijn werk regelmatig ging bezorgen op m’ n brommertje in Amersfoort.
Ik werkte als magazijnbediende in een drogisterij: dozen uitpakken, in de schappen zetten en prijzen. Het was vervelend en afmattend werk, maar de radio stond altijd aan en die gaf afleidende en vrolijke muziek. In m’ n vrije tijd was ik actief in het kraakgebeuren. Terwijl vaderlief fabriekshallen bouwde voor de rijken en de machtigen, kraakte zoonlief woningen voor de ‘zwakkeren’ en plakte s ’nachts ’kraak de anti- kraakwet’-affiches in de stad.
Maar nu stond ik voorlopig in Dreumel in de kerk. Koffie met koek, familie begroeten, het ritueel wat nooit routine mocht worden maar toch een vaste structuur had.
Hier begon het dus, dacht ik. Als kind had hij die kerk vast vaak voorbijgelopen, de broer van m’ n vader. De hoge kerk boezemde ontzag in. Aan de bovenmeester op school moesten beide broertjes een dubbeltje schoolgeld betalen, dat ze zorgvuldig geknoopt in een boerenzakdoek mee naar school hadden genomen. Een bewijs van ontvangst werd verlangd.
Boeren hadden het zwaar te verduren in deze streek tussen de twee wereldoorlogen. Het was hard werken voor de boterham met spek op Zondag en aardappel en pap de rest van de week. Alleen weggelegd voor de rijkere boeren, waaronder mijn grootvader gerekend kon worden.
De kinderen mochten naar de ambachts- of huishoudschool maar studeren zat er meestal niet in. Er moest aangepakt worden op de boerderij. Studeren was iets voor rijkeluiszoontjes.











