De Efteling
4-04-2012
Het jaarlijkse bezoek aan de Efteling, zeer de moeite waard. Vanaf mijn vijfde tot mijn twaalfde gingen we elk voorjaar. De kabouter op de richtingsborden bezorgden ons de benodigde opbouwende spanning na een autorit van meer dan een uur. Na binnenkomst, gingen we altijd direct naar de Carrousel, mijn favoriete attractie. De magie van de ronddraaiende spiegels, rijtuigen, paarden en mijn absolute favoriet; de varkens, die de hoogste sprongen maakten en waarop een pierrot met puntmuts achterstevoren achterop zat, waar je je aan vast kon houden. De hoge sprongen waren nogal krachtige schokkende bewegingen, alsof hij nauwelijks in bedwang te houden was en elk moment uit de carrousel wilde springen en weg wilde rennen, de wijde wereld in. Nogal eens gedroomd in die tijd, dat ik gezeten op een varken de Efteling ontvluchtte en allerlei spannende avonturen beleefde. Als ik ronddraaiend en heen en weer bewegend achterop het varken mezelf zag zitten in de spiegels op de wand rondom de carrousel, voelde ik me als de trotse overwinnaar van een dol geworden duivels beest waarop ik vrolijk glimlachend rondreed, toegejuicht door omstanders. Als we later door het sprookjesbos liepen, zat ik in gedachten nog op het varken. De Wolf en de zeven geitjes, Doornroosje en Roodkapje waren ‘peanuts’ – ook weer zo’n leuk woordje uit een ver verleden; ‘peanuts’- oftewel het stelt niets voor – vergeleken bij de kikkers in de grot. Het grottencomplex werd bewaakt door een paar gigantische krijgers, die ik pas geleden nog herkende op een toeristische reisgids over Thailand. Grote thaise krijgers, reuzen dus. En dat was pas de buitenkant. In de grot bevond zich een rotsenwand met vijver, waarop waterlelies. Als de kikkers muziek begonnen te maken, het kikkerorkest, dan gingen de waterlelies open en begonnen de danseresje in de waterlelies te dansen. Het sprookje was bedacht door Fabiola, de prinses van Belgie.
Ook leuk was de kanovijver, het traptreintje, de speeltuin met z’n hoge glijbanen en schommels,waar we in ronddoolden als Pa en Ma zich op een terrasje teruggetrokken hadden. En de fakir op zijn vliegende tapijt met de tulpen eronder die opengingen als de fakir op zijn fluit floot.
Later nog eens teruggekomen in de Efteling, maar het was me teveel geworden. Te veel mensen, te veel attracties, de een nog spectaculairder dan de andere, maar het maakt weinig indruk. ‘De Pytthon’, de wildwaterbaan en de vliegende Hollander. Het zal wel, maar ik ken de Efteling nog als een sprookjesbos waarvan je alles op een dag kon zien en doen. Nu heb je daar minstens drie dagen voor nodig en is het meer een soort grote kermis geworden. De charme van het sprookjesbos is weg.
De sprookjes waren ook verkrijgbaar op grammofoonplaatjes, rode singeltjes met een geel label waarop de sprookjes ingesproken waren. Ik heb me wat afgeluisterd van die sprookjes. Favoriet van mij was ‘de gelaarsde kat’, die zich voordeed als ‘de markies van Carabas’. Een enorme bluffer, die kat, en iedereen geloofde hem nog ook. Ook mooi waren de Chinese Nachtegaal, Assepoester, Sneeuwwitje, Doornroosje, Langnek en Hans en Grietje. De sterren uit het sprookjesbos van weleer zijn nu een beetje bijzaak geworden, in de verdrukking gekomen door het alom aanwezige gezwaai en gedraai en geschreeuw. Attracties moeten tegenwoordig snel, groot en opwindend zijn om de bezoekers toe te doen stromen. En de sprookjes kan niemand meer navertellen, oninteressant geworden voor de massa door televisie en computerspelletjes.











