De Struisvogel
16-03-2012
Ik vond laatst toevallig een opstel terug van de middelbare school, het ging als volgt;
Voorjaarsvakantie! Ik had met enige schoolvriendinnen afgesproken. ‘Laten we naar de Disco gaan’ opperde de gastvrouw. Aangezien ik geen spelbreker wilde zijn stemde ik hiermee in.
Ik vroeg, toen we in Arnhem aangekomen aangekomen waren, naar welke ‘tent’ we gingen.
Naar ‘de Struis’ werd er geantwoord. Even later kwamen we bij de bewuste ‘tent’ aan. ‘De Struisvogel’ stond er in kleurige neon-letters geschreven. Door een stevige portier werden we uitbundig begroet en naar een ander persoon doorverwezen, wiens taak het was om iedereen z’n jas af te nemen, in ruil voor een nummertje. Op een dermate hoog volume die conversatie bijna onmogelijk maakte werden dezelfde vervelende niemendalmelodietjes ten gehore gebracht, die men elke dag meermalen op de radio kan horen en een paar keer per week op T.V. kan zien. In ieder geval onder betere omstandigheden dan in deze benauwende zwetende massa, waar de dansvloer zo’n beetje de enige bewegingsvrijheid biedt. Vrijheid? Een veel te mooi woor voor deze zwetende bierzuipende werkende jongeren, waarvan de meesten zeer verveeld uit hun ogen keken. Vooral toen ik op het idee kwam dat ik dan ook in godsnaam maar op de dansvloer moest, nu ik hier toch was. Omdat ik door het verblindende licht nauwelijks iets kon zien, viel het me niet mee om weinig ruimte in te nemen. De andere dansers vonden dat niet leuk, hetgeen me al snel duidelijk werd gemaakt door de vele douwen en stompen die ik ontving, om het over de afkeurende blikken nog maar niet te hebben. Weldra restte mij weinig anders dan recht op en neer te gaan springen. Dat scheen hier toch wel iets sensationeels te zijn, want plotseling stond er een heel kringetje enthousiastelingen om me heen in hun handen te klappen. De discjockey – door de weeks waarschijnlijk een kantoorklerk in confectie-spijkerpak, maar nu in compleet disco-outfit, dus met leren stropdasje en witte streep aan de zijkanten van z’n pantalon – stelde dit enthousiasme blijkbaar niet op prijs en zette langzame muziek op. Nu zag ik ook allerlei jaloerse blikken op mij gericht, hetgeen me een bijzonder voldaan gevoel gaf. Wel was ik doorweekt van het zweet, dus besloot ik maar eens wat te gaan drinken. Nadat ik met moeite duidelijk had gemaakt dat ik toch echt een limonade wilde en geen bier, raakte ik in gedachten verzonken.
Wat bezielt de mensen in vredesnaam om hier in een veel te kleine ruimte op elkaars neus te gaan zitten en wat is nou eigenlijk het leuke, het gezellige hiervan? Is het de sfeer van drukte, bier, zweet en de grapjes van de deejay? Of is het de angst om op te vallen, om een gesprek te voeren en de stem of de mening van een individu te horen? Het verlangen om alle frustraties die in het dagelijkse leven voorkomen te verbergen en op te laten gaan in de massa?
‘Laatste ronde !’ wordt er geroepen. Mensen trekken hun jassen aan, vertrekken. ‘Nog een laatste plaatje !’ joelt de deejay op z’n allerbeste toontje door de microfoon. ‘Dan gaan we allemaal fijn naar huis, enne…. volgende week zijn jullie er toch teker weer?’ Daar komen m’n schoolvriendinnen aan. ‘Hoe vond je het?’ vroegen ze, met een van warmte roodgloeiend gezicht en opgewonden stemgeluid. ‘O leuk hoor’ zei ik geruststellend.
Buitengekomen keek ik nog eens om, ja het stond er toch heel duidelijk: ‘De Struisvogel’.
Glimlachend liep ik verder.











