Nederlands leraar

Fietsen.

15-05-2020

Blog

Fietsen doe ik graag, als het even kan elke dag. Dat zit er al van jongst af aan in. Wij fietsten bijvoorbeeld naar de middelbare school in Amersfoort. Dat was vanaf Scherpenzeel zo’n 15 kilometer. ’S Morgens om half zeven vertrokken we bij het zwembad. De school begon om 8 uur en we deden er een goed uur over. Tenminste, als het niet regende of hard waaide. We fietsten het hele jaar door, dus ook in de winter. Dat was soms wel even afzien, maar aan de andere kant was je goed wakker als je eenmaal in de klas zat. Niemand die er iets tegen had, eigenlijk. We deden het gewoon en er werden geen vragen over gesteld.

Wel kan ik me de korte periode herinneren lid te zijn geweest van de Valleirenners, de plaatselijke wielrenclub die door mijn vaders bouwbedrijf werd gesteund, in ruil voor trainingspakken met reclame van zijn bouwbedrijf op de rug van het trainingsjasje.
Gezamenlijk gingen we op de foto voor de krant. Ik had al een flinke pony tot over mijn wenkbrauwen, wat ik best stoer vond staan. Wat was dat? Voordat de foto genomen werd, kwam mijn moeder op me af met een natte spons, om mijn pony netje opzij te doen. De andere wielrenners moesten lachten. Wat een afgang! Wat een vernedering. Het is nooit meer iets geworden met mij en het wielrennen. Ik kon ze ook nauwelijks bijhouden die eerste keer. Nee, ik fiets graag, maar wel in mijn eigen tempo.

Nee, ik schilderde met mijn drie vrienden mijn fiets in verschillende kleuren en zette er een hoog stuur op. Vonden we stoer. De verf hadden we te danken aan de vader van Ernest, die werkte bij de Ralstone verffabrieken in Zeist. Hij gaf ons de verf en kwasten wist ik wel te vinden bij mijn vader in de schilders werkplaats. Dus op mijn verjaardag vroeg ik een hoog stuur en een toeter voor op mijn fiets. Op Woensdagmiddagen gingen we ermee crossen door het bos, dus over heuveltjes scheuren en dan een stukje door de lucht vliegen.

Als ik van Scherpenzeel naar Amersfoort fietste met vrienden, stopten we alijd even bij een boerderij, om een glaasje water te vragen. Dat was altijd bij dezelfde boerderij. Daar werd geopend door een omaatje die aandachtig luisterde naar mijn vraag; ‘Goedemiddag mevrouw, heeft u misschien een glaasje water?’ ‘Ja hoor, water genoeg!’ zei ze dan altijd en tufte een fluim van de pruimtabak uit haar mond op de grond. Tante Tuf noemden we haar daarom.

We fietsten ook met schoolreisje in de vijfde en zesde klas naar Oldebroek, waar we op een kampeerboerderij konden overnachten. Dat was ook een goeie 60 km fietsen.

Met mijn vriend René fietste ik, op 12 jarige leeftijd naar Hattemerbroek, zo’n goeie 75 km fietsen. Ging prima eigenlijk. Ik fietste ook de 25 km van Soest naar Scherpenzeel op een vrije woensdagmiddag met een vriendje, ik zal ook pas een jaar of 7 geweest zijn.

In Duitsland heb ik ook veel gefietst, maar de fietspaden waren daar een onbekend fenomeen. Je zag ze bijna niet. Met als gevolg dat een ritje door het centrum van München geen prettig gevoel gaf. Je werd bijna van je sokken gereden. Nee, in de stad moet je niet fietsen, maar de bospaden waren fantastisch, vooral als ze niet te steil waren. Dan ging je een eind fietsen en stopten we bij een terras, daar werd dan ‘Radler’ gedronken, citroen met bier. Iets lichter dan gewoon bier, zodat je nog kon fietsen.

Tegenwoordig fiets ik nog steeds graag en ik knap er nog steeds van op als ik een stuk heb gefietst. Bovendien zie je meer op de fiets dan in de auto en de snelheid is precies goed.

Een paar keer naar Zandvoort gefietst en dat beviel eigenlijk prima, je kan heerlijk fietsen op de heuvelweg door de duinen van Haarlem naar Bloemendaal. Echt een aanrader!

Een elektrische fiets? Nee, kom op zeg. Zo oud ben ik nou ook weer niet. Ik zie trouwens jongeren ook op elektrische fietsen rijden, wat een slap gedoe. Nee, voorlopig blijf ik nog gewoon op mijn Batavus fietsen zonder gekkigheid.