Nederlands leraar

Gnom

16-03-2012

Blog

BAD MUSKAU, LEKNICA – 1994 – Niet heel lang geleden verwachtte men vanuit het oosten de inval van het Rode Leger. Men kreeg gelijk. Alleen blijkt het leger rode puntmutsen te dragen en geheel uit kunststof te zijn vervaardigd. Elke dag kan men zulks waarnemen op de bruggen over de Oder/Neisse-rivier, de rivier die Oost-Duitsland van Polen scheidt. In een niet aflatende, gestage stoet trekken duizenden kaboutermutsen, half schuilgaande in grote wit-roodblauw-gestreepte draagtassen Duitsland binnen, verspreidden zich aan Duitse zijde op parkeerplaatsen en in autobussen en trekken vandaar verder.

‘De invasie van de tuinkabouters’ noemt Pjotr dat. Hij staat in zijn zestien kwadraat meter grote kraam aan de Hoofdstraat van Leknica, het Poolse deel van wat vroeger – voor de oorlog – nog Bad Muskau heette. Pjotr verkoopt ze, de tuinkabouters, de grootste van hen zijn zo hoog als een tafel, de kleinste passen op balkons en vensterbanken. Ze duwen kruiwagens, dragen lantaarns, of openen heel ondeugend hun regenjas om hun kabouterheerlijkheid te tonen. Pjotr heeft verstand van kabouters. In Polen, zegt hij, produceren meer dan 160 bedrijven de kitsch voor de Duitse, maar ook Deense en Nederlandse tuin, en dat zijn alleen nog maar de legale. Want ook in deze bedrijfstak is piraterij, “dat kun je hier op de markt al zien.”
Meest gekochte artikel: de tuinkabouter, hier voor 57 mark, in eigen land voor 169.

Aangeschaft op de terugweg van mijn eerste reis naar Polen, Jarocin, met mijn Poolse vriend Tomeck. In Polen kon ik mijn auto laten repareren voor meer dan de helft minder en er voor die prijs nog mee op en neer rijden ook. Een hartelijke ontvangst werd mijn deel. Zijn vrouw kon prachtig pianospelen. Daarnaast was er heerlijk eten, een feestelijke tafel stond vol lekkernijen. De volgende avond buiten in een kampvuur roosterden we de beroemde Poolse worst aan een stok. Wat hebben we gelachen en gepraat met de vaders van Tomeck en Tomasz, zijn zwager die met zijn zus getrouwd was. Onder rijkelijk gebruik van de poolse worst en wodka. Vooral de laatste w zorgde voor een doffe hoofdpijn bij het opstaan de volgende dag, waaraan een tweetal paracetamolletjes weinig en tergend langzaam iets tegen konden uitrichten. Kleinigheidje hou je altijd.

De bierdrinkende tuinkabouter was een geschenk voor Vaderdag. Hij vond een mooi plekje achter in de tuin, alsof hij daar genoeglijk een biertje stond te drinken. Later bracht hij een aantal zomers door in de bokkentuin. Een afgeschermd stukje weide op de werf, waar hij zich tevens in gezelschap bevond van een aantal kippen, een mooie haan en grote konijnen. Voor de bokken was een houten huisje neergezet, waar ze boven op konden klimmen via de hiervoor gemaakte lange planken die er aan vast getimmerd waren. Er stonden wat struiken en helmgras omheen. Mijn vader, timmerman, had het aangelegd voor m’n kleine zusje. Ze voerden samen de kippen en konijnen en zorgden voor vers hooi voor de bokjes. Onze tuinkabouter vormde een treffende decoratie bij het tafereel.
Later vond hij een plekje in de achtertuin onder het bladerdek van de hoge bomen.
Naast een afgehakte boomstronk, alwaar een houten plank op bevestigd voor vogelvoer, staat hij daar nog steeds genoeglijk zijn biertje te drinken naast zijn vat bier, inmiddels opgefleurd door een fris kwastje verf.