Hotel de Doelen
17-03-2012
Amsterdam – 1984 –
Rrring! Met een korte tik leg ik m’n alarmerende Hemawekker het zwijgen op. Zes uur. Waarom? De vorige dag was ik naar het Arbeidsburo aan de Amsterdamse Herengracht gefietst waar ik een vacature ‘Schilder gezocht’ had gevonden. Toen ik de baas telefonisch mededeelde dat ik slechts 350 gulden per week verdienen wilde, kon ik komen: ‘Laat maar eens zien wat je kunt’.
De baas; grote zwarte snor, krullenkop, bolle toet en zilveren halsketting. Lokatie: Hotel de Doelen.
Zeven uur, het was nog donker, het regende en er stond een flinke koude wind. Schuren nadat we eerst zeilen gespannen hadden over de steiger heen. Na de koffiepauze ‘flevopollen’; met stoffer een cementpapje op de betonnen ornamenten smeren. Het moest snel en goed. Niet te goed, want dan duurde het te lang, bovendien was het van beneden af toch niet goed te zien. Ook niet te snel, want dan leek het of we het niet goed genoeg deden. Soms kwam de baas kijken, schreeuwde wat en verdween weer. Om half vijf fietste ik moe naar huis. Morgen weer zo’n dag.
Vrijdagmiddag kwart over vier. Of ik nog even kon helpen een steiger af te breken op het Rembrandtsplein. OK, ik pakte m’n spullen en stapte bij de baas in z’n auto. Hij ging zelf in een restaurant koffie drinken en ik stond met een collega in de stromende regen de steiger af te breken. Om half zeven kwam ik drijfnat thuis. Moe.
Lang duurde het niet meer. Na een paar weken, vlak voor Kerst begon het te sneeuwen. Nog steeds Hotel de Doelen. Ik stond nu alleen op een ladder voor een hoge hotelkamer de deuren te schilderen. Elke vijf minuten ging ik naar binnen om m’n handen warm te wrijven die stijf werden van de kou. Ik stond alweer boven op de ladder. Daar het gevroren had was het glad. Opeens gleed de ladder onder me vandaan. Zelf kwam ik nog goed terecht maar de pot verf vloog met een boogje de openstaande hotelkamer binnen. Alles onder de verf, de gordijnen, het tapijt en het bed. Met w.c. papier probeerde ik vertwijfeld nog wat te deppen, maar het was onbegonnen werk.
Een kamermeisje zag het en zei: ‘Ach joh, kan jij toch niets aan doen?’. Het was trouwens al bijna half vijf en ik ging naar boven naar het schildershok, waar ik de kwasten in het water zette. Daar kwam m’n baas binnen. Ik dacht nou moet ik het zeggen, maar hij begon: ‘Ja het is zo dat ik niet zoveel werk meer voor je heb, andere kollega’s hebben vrouw en kind en die moet ik het eerst aan het werk houden’. Het klonk me als muziek in de oren. ‘Ik moet nog wat dekzeil beneden opruimen’ zei ik. ‘Laat maar dat doen wij wel’. Ik gaf hem nog braaf een hand. Nooit meer iets van gehoord.











