Palaiseau – Parijs -1986
14-08-2024

‘Bien que les attentats a la bombe ne sont plus a l’ordre du jour, ils sont loins d’etre rares’. Mijn docent Frans was onder de indruk van deze vertaling van de nederlandse zin;
Hoewel de bomaanslagen niet meer vrijwel dagelijks voorkomen, zijn ze nog helemaal niet verdwenen.
Mijn Franse vriendin had me geholpen met vertalen. Ze hielp me met mijn Frans, gelukkig maar, want zonder haar had ik nooit mijn propedeuse Franse Taal & Letterkunde gehaald aan de VU in Amsterdam.
Het was bij een studentenuitwisseling dat ik haar had leren kennen; Anne Champonnois uit Palaiseau. Er was een uitwisseling van tien dagen tussen studenten Nederlands van het Sorbonne in Parijs met studenten Frans van het VU in Amsterdam.
Het moet 1987 geweest zijn dat ik op de trein die haar terug zou brengen stapte;
‘ik ga met je mee naar Parijs!’ zei ik tegen haar, want ik was helemaal hotel de botel verliefd op haar. ‘Coup de foudre’ heet dat in het Frans.
Stomverbaasd maar blij en zeer vereerd keek ze me aan. ‘ik droom’ zei ze maar het was echt.
Mijn herinneringen aan mijn tijd in Parijs komen helemaal terug sinds ik het boek ‘luister’ van Sascha Bronwasser lees, dat gaat over au pairs in het Parijs van 1996 en 98.
Het eerste verhaal gaat over een Duitse au pair, Eloise uit Tübingen. Mooi stadje vlakbij Stuttgart, ik ben er meermaals geweest. Gezellig centrum met een leuke markt, leuke winkelstraten met cafés en terrassen. Ook heb ik een zus met die naam evenals mijn moeder, roepnaam Els.
Helaas loopt het niet goed af met Eloise, ze is een van de slachtoffers bij de bomaanslag op warenhuis Tati. Ze overleeft het wel maar op het nippertje.
‘Quelle horreur!’ zou Anne gezegd hebben. Wat een verschrikking inderdaad.
Alle herinneringen komen weer terug als je in dat sfeertje zit van Parijs eind jaren tachtig, toen ik er ook regelmatig kwam. Dat wil zeggen ik bezocht haar elke twee maanden vijf dagen in het appartementje boven op een berg in Palaiseau, dat zo’n 15 km ten zuiden van Parijs ligt. Met de RER was het een klein half uurtje naar het centrum van Parijs. Daar woonde ze met haar moeder, die werkte bij EDF (Électricité de France) en bijna met pensioen zou gaan. Ze was klein en rond, dat wil zeggen haar hoofdje was mooi rond met krullen, bruine krullen. Als ze lachte was ze wonderbaarlijk mooi.
Vier jaar lang was het aan, ik moet zeker meer dan 30 keer op en neer gereisd zijn om me in haar armen te kunnen sluiten. Dankzij haar heb ik de Franse cultuur pas echt leren kennen. Dat begon al bij het bezoek aan Parijs, waar ik dingen te zien kreeg die men gewoonlijk niet te zien krijgt als toerist, zoals bijvoorbeeld het stadsdeel ‘Le Marais’,
Palais des Versailles, Musee d’Orsay, Centre Pompidou, Le Louvre en al die andere bezienswaardigheden, natuurlijk bezochten we die ook. Wandelen in Jardin Luxembourg, kijken in Galerie Lafayettes en eten in de beste kleine restaurantjes in straatjes achteraf.
Feesten, geweldige feesten; Coup de baton, dus je ging met een meisje dansen en als iemand met de stok drie keer op de grond stampte, moest je wisselen van danspartner. Feesten, dat kunnen ze goed die Fransen, verschillende oudejaarsfeesten meegemaakt dat alles klopte; mooie meiden, champagne rosé, muziek, gezelligheid. Onvergetelijke feesten meegemaakt. De paar slechte feesten vergeet je dan maar.
Prachtige stad, maar wat een drukte, wat een gekkenhuis, al die clochards, daklozen in de metro en als we een dagje op stap waren geweest en ik met een papieren zakdoekje aan mijn vinger in mijn neusgat stak, kwam hij er zwart uit.
Eten, wat heb ik goed gegeten daar. Vooral in het weekend, het begon al met verse baguette en een kom café au lait. Dan naar de markt, waar de boodschappentassen al snel gevuld werden bij de ene na de andere marktkraam; verse vis, worst, kaas, groente en tal van andere lekkernijen.
Dan begon je op Zondagmiddag om half 1 met het diner, vreemd genoeg stond de tv altijd aan, want de dames Champonnois keken samen naar Jacques Martin, een gezellige dikkerd met een showprogramma vol artiesten. De vader des huizes was trouwens aan bed gekluisterd, nogal een dramatisch verhaal waarin alcohol een vervelende rol speelde. Beter om hier verder niet op in te gaan om het leuk te houden.
Middenpunt en lieveling van de familie was de hond Di-Dick waarmee we gingen wandelen tussen het hoofdgerecht en het dessert. Daar was ik heel blij mee want het was een hele zit dat middageten, van 13 tot 15, soms 16 uur bracht je vrijwel onafgebroken door aan de eettafel. Als je terugkwam was er de kaasplank met rode wijn, de taart met champagne en dan koffie met een digestief. Dan had je dus al drie gangen en het hoofdgerecht achter de rug. Eten, dat kunnen ze goed, die Fransen. Al duurde het me soms te land, maar allemachtig, wat heb ik heerlijk gegeten daar.
Paasvakantie naar Dreux, waar het gezin een buitenhuisje had. In de Meivakantie naar Deauville in Normandië en in de zomervakantie Cap d’Agde aan de Cote d’Azur samen met de hond, mama en Oma. In de kerstvakantie met een groep jongeren skiën in de Franse Alpen.
Volop cultuur: bioscoop (Manon des Sources Jean de la Florette met Yves Montand en Gerard Depardieu, concert (Francis Lalanne) en theater (Jean Paul Belmonde – Caen).
De treinreis duurde 6 – 8 uur uur en dan las ik meestal een boek helemaal uit. Soms ’s avonds, dan vertrok de trein in Amsterdam om 10 uur en kwam in om 6 uur ’s ochtend op het Gare du Nord aan. Prachtig was Parijs altijd ’s ochtends zo vroeg als de zon opkwam.











