Nederlands leraar

schaatsen, zwemmen, fietsen

12-02-2012

Blog

Pittoreske wintertaferelen afgelopen Vrijdagavond; schaatsen op de Herengracht, warme chocolademelk en live-muziek. Mooi plaatje. Holland op z’n best. De Zandstra hockey-schaatsen zitten goed. Maatje te groot, drie paar sokken. Als er iets typisch Nederlands is, dan toch wel schaatsen. Ik ga wat langer door dit jaar, op de Jaap Eden baan. Maar zo lang het nog kan ga ik meedoen aan tal van tochten met deelnamecertificaten. Stoer om er een te halen. Stoer ook om lichtelijk te overdrijven,  nonchalant te laten ontvallen; twintig kilometer geschaatst gisteren! De schaatser is een jongen van stavast!.  In de vele strenge winters uit mijn vroegste jeugdjaren kreeg ik friese doorlopers en een stoel waarmee ik het op de vijver mocht proberen. De friese doorlopers moest je stevig onder je schoenen vastbinden, gebeurde dit niet, dan kon er een veter onder komen waar je lelijk over kon vallen. Wiebelen, dat was het de eerste paar winters. Maar toen ik in de vijfde en ook in de zesde klas van de Openbare Basisschool zat, schaatste ik wat af met mijn klasgenoten op schaatsbaan De Koepel achteraf het dorp. En sneeuwballengevechten. Meisjes en sneeuw, een combinatie waarmee we ons prima vermaakten. Achter elkaar aanzitten op de schaats met een hap sneeuw in je hand om haar in te smeren en vica versa. Warme chocomelk voor een kwartje en met blosjes op je wangen staan te stralen.

Later ging ik voor de hoge Noren. Snelheid maken. Ik ben geen superschaatser, maar ik kan met veel plezier een stuk schaatsen. Nu dan de hockeyschaatsen, minder snel maar wel lekker stabiel en makkelijk remmen, wat me bij de hoge Noren vroeger nogal eens moeite kostte. Het liefst schaats ik op natuurijs met heldere blauwe lucht en felle zon, zoals afgelopen Vrijdag. Op de Herengracht in Amsterdam.

In Nederland moet ieder kind drie dingen leren; schaatsen, zwemmen en fietsen. Het liefst zo jong mogelijk. Ons land is plat met veel water. Zomers, als we niet door het ijs heenzakken, zwemmen we erin. Evenals in het zwembad, in de zee of in het meer. En we surfen, roeien, zeilen, varen. Water is in Nederland topamusement. Het behalen van een zwemdiploma is niet alleen nuttig voor de veiligheid met al dat water om ons heen, maar ook voor de lichamelijke conditie. Vroeger kreeg ik om 7 uur s’ochtends in het zwembad zwemles. IJskoud! Lekker koud!

Bibberend stond ik met een groepje kindjes van 7 jaar de instructies van de badmeester af te wachten. Handen tegenelkaar en recht voor je uitstrekken, schoolslag werd eerst op het droge voorgedaan en geoefend in het natte. Neus dicht als je onder water gaat zwemmen. Buik omhoog als je op je rug gaat zwemmen. Borstcrawl heb ik mezelf pas later aangeleerd, ik kwam niet verder dan diploma B, toch al heel wat. Best moeilijk dat zwemmen met kleren aan en het 6 meter onderwater zwemmen om bordjes op te duiken. En het in het water duiken vanaf de kant nauurlijk: neus naar voren en hoofd tussen je armen! En dan het gevoel waarmee je jezelf aankleedde in het badhokje; lichtelijk zwevend van de energieke krachten die je van het zwemmen mocht ontvangen. Lekker warm en boordevol energie ging je vol frisse energie de dag in. Jarenlang lid geweest van zwemvereniging De Duinkikkers, kikkers in de Soesterduinen; of ze echt bestonden heb ik me nooit afgevraagd, als naam van de zwemclub in ieder geval wel. Aangezien het Soesternatuurbad een buitenbad was, togen we s’winters elke Vrijdagavond naar het sportfondsenbad in Amersfoort, mijn broers en ik. Mijn jongste broer was kampioen in het langdurig onder de warme douche blijven staan. De temperatuur van het zwembad lag hem veel te laag. Om hiervoor het zwembad te straffen nam hij eens een fles Andrelonshampoo, zo’n ikoonvormige lichtgroene plastic fles met iedere dag shampoo, mee het water in van het kinderbad en liet hem, tot ontsteltenis van het zwembadpersoneel, leeglopen, waardoor hem de toegang tot het zwembad voortaan werd ontzegd. Dit deerde hem niet, want hij had toch altijd al meer belangstelling voor het warme douchen gehad. In het clubblad van de Duinkikkers, tot nu toe had er alleen een kort artikeltje in gestaan over mijn oudste broer, die altijd opzij keek bij het schoolslag zwemmen, werd uitgebreid aandacht besteed aan het voorval onder de kop ‘Deugniet veranderd zwembad in schuimbad’.

Later, middelbare school,  zomers hele dagen in het openluchtbad. Elkaar van de grote opblaasband afduwen, urenlang. In een kringetje met een groepje jongens en meisjes zitten in het gras, sjekkies roken en praten. 

Baantjeszwemmen begon met mijn vader. Die ging s’ochtends om 7 uur zwemmen, baantjeszwemmen, een uur lang op en neer; rugslag, schoolslag. Lekker koud. Later veel gezwommen, s’winters in overdekte zwembaden. Het Zuiderbad op het museumplein, s’avonds een half uurtje baantjes trekken, ik doe het nog graag.

Fietsen kan het hele jaar door, er zijn fietspaden genoeg, over de bruggen en dijken en door bossen met eekhoorns en weilanden met koeien. Talloze fietsroutes leiden ons door de mooiste natuurgebieden. Toen we nog in Soest woonden fietste ik zomers met mijn vrienden door de bossen naar de duinen of naar het zwembad. Mountainbiken had je toen nog niet, ik heb nog wel aan wielrennen gedaan. Het bouwbedrijf van mijn vader sponsorde de plaatselijke wielrennersvereniging, waardoor ik vanzelf met mijn broers in een rood trainingspak en op de fiets gezet werd. Voordat er een tocht gemaakt zou worden, waarbij ik overigens hopeloos de weg kwijtraakte, werd eerst een groepsfoto gemaakt. Mijn pony-haarlok die ik als twaalfjarige al stoer over mijn wenkbrauwen droeg in navolging van de Beatles, werd door mijn moeder resoluut met een natte spons opzij geveegd, voordat de foto genomen werd. Een beetje genant vond ik het wel.

Fietstochten genoeg in die tijd, met vrienden fietste ik naar de Pyramide van Austerlitz met bijbehorende speeltuin en botsautootjes. We fietsten  wat af. Naar Amersfoort bijvoorbeeld,elke dag 15 km naar school. Maar ook heel wat keertjes langere afstanden. Op mijn twaalfde, in de zomer van 1972 fietste ik met een vriend naar Hattemerbroek- 76 km -, alwaar we mochten logeren bij kennissen van mijn ouders. Mijn zusje werd die vakantie geboren, mijn moeder kon wel wat rust gebruiken. In die laatste jaren van de basisschool was ik altijd op de fiets met vrienden. Gingen we de fietsen schilderen en er hoge sturen opzetten. Omdat de vader van een vriendje bij Ralstone verf werkte, beschikte hij over voldoende verf waarmee we onze fietsen in felle kleuren schilderden. Met die hoge sturen waren we net Easy Rider, Born to be Wild. We noemden ons de Ralstones, naar de verf.

Jaren later beschikte ik over een bijzondere fiets; een tweede fietsframe was door de smid bovenop het onderste gelast, waarbij alleen het bovenste frame stuur en zadel had en het onderste de banden. Ook de trappers waren hoog genoeg om er op dubbele hoogte gezeten bij te kunnen. Prachtig uitzicht. Wel tricky met remmen en afstappen; menigmaal ging dit nogal ongelukkig. Toch met veel plezier mee door het centrum van Amsterdam gefietst, bij de stoplichten hield ik me een lantaarnpaal vast en genoot van het panorama om me heen. Verder was het vooral oppassen geblazen. 

Gazelle, dat was mijn favoriet. Een groot aantal Gazelles gehad, een Sparta. Sinds een paar jaar Batavus. Toen ik in Duitsland woonde een hoge sportfiets gehad van 1000 Euro met 17 versnellingen. Zitten klooien met die versnellingen, waarvan ik er maar drie wist te gebruiken. Het beste bevallen me de stevige hoge oude herenfietsen met drie versnellingen. Gazelle, Batavus, Sparta. Hollandse degelijkheid op wielen.