Soest
18-03-2012
Ik lig te prijken in een heerlijk wit bedje. M’n moeder zegt lieve woordjes tegen mij. Ik wil nooit groot worden.
Op de step naar de kleuterschool. Fijn, steppen. Nu stepte ik voor het eerst op de grote straat. Kijk daar kwam m’n klasgenote Marijke aan de overkant aangefietst, ze lachte tegen mij en ik lachte terug. Ik vond haar erg leuk. Ik lachte nog een keer. Boem ! Ik werd wakker op de bank in onze huiskamer met een bloedneus. Naast me zag ik een paar politielaarzen staan met een agent erin. Het bleek dat ik tegen een auto gebotst was of hij tegen mij en dat ik ontzettend geluk gehad had.
Ik kreeg een poppekast voor m’n verjaardag. Daarbij Jan Klaassen en Katrijn, Klukkluk en Pipo de Clown en de Dikke Deur, zoals de Circusdirecteur altijd door Pipo genoemd werd. Ik gaf voorstellingen en als er niemand wilde kijken, ging ik zelf zitten kijken en bedacht voorstellingen. Op een dag kwam m’n moeder onverwachts op m’n kamertje en wist niet wat ze zag. Ik zat daar te stikken van het lachen voor de poppekast.
Op m’n vierde verjaardag kreeg ik een kasteel met riddertjes. Ik speelde er graag mee met m’n vriendjes. Die namen altijd cowboytjes en soldaatjes mee en dieren uit de dierentuin. Dus daar bij het kasteel wat het een allegaartje van riddertjes die tegen cowboys of indiaantjes vochten of tegen een bruine beer, olifant of giraffe. De giraffe was de spion voor degenen die het kasteel wilde overvallen. Hij kon namelijk met z’n lange nek over de kasteelmuren heen kijken. De ridders hadden weliswaar de beste pakken aan, maar daarentegen hadden de cowboys echte geweren. Het beste vond ik toch de indiaantjes want die hadden geen pakken en geen geweren, maar waren met hun pijl en boog de cowboys telkens weer te slim af.
M’n vriendjes op de Soesterbergsestraat in Soest waren Keesje van TipTop, de speelgoedwinkel, Wimpie van de groenteboer, Bennie van de elekricien en Bertje van de horlogemaker. Ons speeldomein was de driehoeksweg. We deden voetballen. Dan hadden we ieder een steen en die moest je verdedigen en tegelijkertijd moest je de stenen van de anderen omver schieten. Of we deden knikkeren, dan legden we een vijftal knikkers op een rijtje en dan moest je die proberen te raken van een paar meter afstand. De knikkers die voorbij gingen mocht je houden en als je knikkers geraakt werden mocht degene die ze geraakt had houden. Als een van ons al z’n knikkers verloren had gingen we soms bij Bertje de horlogemaker op de binnenplaats naar de bakkerij kijken. Dat was een heel gedoe want dan moest je door de werkplaats van Bertje z’n papa heen en die had een grote Dobbelmann Pincher die vreselijk hard blafte. Maar als je dat gehad had en we de binnenplaats bereikt hadden konden we de bakker en z’n knecht soms bezig zien met het maken van taartjes.
Toen ontdekten we het geheim van de glanzende kersen op de slagroomtaartjes. Die werden er door de bakker gewoon op gespuugd vanuit z’n mond. Echt waar, zelf gezien. Nooit at ik meer kersen die op slagroomtaartjes zaten.
In de eerste klas van de lagere school kregen we een opdracht van de lerares.
We moesten thuis kijken hoe datgene dat we op onze boterham aten geschreven werd. Elke dag was iemand anders aan de beurt om het geleerde woord op het bord te schrijven. Veel kaas, pindakaas en jam. Toen ik aan de beurt was keek ik thuis bij het middageten lange tijd naar het potje ‘Pasta Choca’ wat op tafel stond. Ik had het uit m’n hoofd geleerd. De volgende dag mocht ik het op het bord schrijven. Ik had het woord Pasta al geschreven, toen de lerares zei: ‘Ja dat is wel erg makkelijk om gewoon pasta te schrijven’. Daar was ik nogal kwaad over, want ik kon het woord Choca ook schrijven. Maar daar had ik nu geen zin meer in.
Het verjaardagsfeestje van een van ons was altijd een belevenis. Bij de verjaardag van Keesje van Tiptop zat het in ieder geval goed met de prijzen, die z’n moeder uit hun speelgoedwinkel uitzocht. Klapperpistootjes, blikken vogels op een stokje die naar elkaar toebuigden als je erin kneep of een heuse Sheriffster die je op kon spelden. We speelden de spelletjes alsof ons leven ervan afhing om een van de begeerde attributen te bemachtigen.
Ik kreeg een dubbeltje zakgeld per week. Nu had ik bij TipTop een Batmanpak in de etalage gezien voor zes gulden. Dat wilde ik graag sparen. M’n geduld werd wel op de proef gesteld, na een paar weken kocht ik toch maar een klapperpistooltje. Had je tenminste meteen plezier van.
Het werd zomer. We gingen weer op de fiets naar het Soester Natuurbad. Er was een weg binnendoor. Dat ging door het bos. We stopten onderweg bij een huis.
‘Heeft U misschien een glaasje water?’ vroegen we dan als we aangebeld hadden en geopend werd. Daarna gingen we ‘crossen’, dus met de fiets door wilde bospaadjes scheuren. ‘Stop’ riep m’n vriendje. ‘Een slang’. M’n vriendje hield met een tak trots een kleine slang hoog. ‘Dit is een bosslang’ zei-die.
We waren aan het fietsen. ‘Hoor je die helikopter?’ zei m’n vriendje. ‘Die zijn naar de kindervreter aan het zoeken. Ze kunnen hem niet vinden, de kindervreter. Die heeft al vele kinderen opgevreten. Hij lokt ze met snoepjes en vreet ze dan op. Echt waar, m’n vader heeft het zelf verteld’.
‘Ga je mee, we gaan oud papier ophalen, krijg je een dubbeltje per kilo voor’. Een dubbeltje per kilo, dat was voor mij een week zakgeld! Daar hoefde ik niet lang over na te denken. We bonden beiden een kinderwagen achter onze fiets aan en gingen op pad. We belden overal aan en haalden aardig wat op. Ook bij een oudere man, die vroeg: ‘is het voor de zending?’. ‘Ja, inderdaad, voor de zending’, zei m’n vriendje prompt. ‘O kom mee naar de garage, daar heb ik alles bewaard’. We liepen achter de man aan. In z’n garage stonden een stuk of tien dozen met kranten en een paar met oud linnen. We moesten drie keer op en neer om alles naar de oud-papierboer te brengen, het linnen scheen nog meer dan papier op te brengen. ‘Wat is eigenlijk de zending?’ vroeg ik m’n vriend. ‘Ach joh, dat stopt de dominee alles in z’n eigen zak, heeft m’n vader zelf verteld’. Later zaten we in de ijssalon het grootste ijs te eten.
Ik was verliefd op Roosje. Roosje zat in de tweede en ik in de eerste. Op een dag moest ik van de juf iets naar de tweede brengen. ‘Nee, dat doe ik niet’, riep ik vastberaden want ik was veel te verlegen voor Roosje. De juf zei dat ik toch moest. Toen ik bleef zitten kwam ze op me toe en pakte me bij m’n schouders. Ik hield m’n benen echter stijf om m’n stoeltje geklemd, zodat ik de stoel mee de lucht innam. Wat de juf ook probeerde, ik bleef zitten. Ten einde raad stuurde ze iemand anders.
Ik zat op de christelijke school. We zongen een lied. ‘Mozes trok 20 000 mijlen door de woestijn’ zo luidde de tekst, begreep ik later. Ik zong altijd: ‘Mozes trok met 20 000 meiden door de woestijn’.
Ik kreeg een Wig Wam voor m’n verjaardag. We gingen de Wig Wam opzetten. Met m’n vriendjes mocht ik een boterhammetje gaan eten in de Wig Wam, net als de indianen. ‘Aten de indianen ook boterhammen?’ vroeg m’n vriendje mij.
‘Ja eerst schieten ze met pijl en boog een buffel en dan eten ze buffel op hun boterham. En dan roken ze de vredespijp’.
De Monkees kwamen op Woensdagmiddag op teevee. We keken er altijd naar, m’n broers en ik. We hadden een eigen vertaling van het engelse liedje waarmee de Monkees altijd begonnen: ‘Hee, hee de Monkees, de Monkees zijn zo goed. Vooral die kleine Davie, die poept nog in z’n broek’.
‘Ik kan al Engels’ zei ik tegen de leraar van de vierde klas lagere school.
‘Zo kan jij al Engels? Nou laat maar horen dan!’ zei de leraar geamuseerd.
‘I fill mit my reet in de prikkeldreet en I tell joe det het seer deet’.











