Waar ben je geweest en wat heb je gedaan?
11-05-2020
Hoe was je weekend? Waar ben je geweest en wat heb je gedaan? Dat zijn van die vaste vragen die je op maandagochtend te horen kan krijgen van je collega’s.
Hoe was het? O, het was OK. Niks bijzonders. Gewoon lekker gegeten, filmpje op Netflix gekeken, lekker uitgeslapen en o ja, ook nog een mooie wandeling gemaakt.
Waar ben je geweest? Ik ben thuis gebleven. Toch heb ik veel gedaan; ik las een boek, ik keek een film, ik ruimde mijn werkkamer op, ik deed mijn boekhouding en ik kookte Pasta Pesto.
Hoe was het? In de eerste situatie wordt geantwoord in de voltooide tijd, zonder heb, zoals vaak in spreektaal. Korte beschrijvingen van verschillende situaties dus.
Voltooide tijd of voltooid tegenwoordige tijd;
Ik heb in Amsterdam gewoond. (afgelopen situatie)
Ik heb mijn huis schoongemaakt. (afgelopen handeling)
Ik heb een nieuwe bril gekocht. (eenmalige gebeurtenis)
Als ik een fiets had, was mijn vervoersprobleem opgelost. (voorwaardelijke wijs)
Waar ben je geweest? Ik ben thuis gebleven. (afgelopen situatie) Daarna volgt een opsomming van bezigheden die je gedaan hebt, dus de situatie wordt meer gedetailleerd beschreven.
Dus verleden tijd en voltooide tijd worden beiden gebruikt, afhankelijk van de situatie.
Verleden tijd wordt vaak gebruikt bij een beschrijving; Er liepen veel mensen op straat.
Een gewoonte; Toen ik klein was, ging ik altijd lopend naar school.
Kort op elkaar volgende handelingen; Toen haar wekker afliep, stond ze op, ging naar beneden en maakte het ontbijt klaar.
Of voorwaardelijke wijs; als ik een fiets had, was mijn vervoersprobleem opgelost.
Dit gebruik van de verschillende tijden is lastig, zeker in een vreemde taal. Toch ga je, als je het snapt, veel meer van de taal begrijpen. Dat had ik met Frans ook. Frans heb ik eerst geleerd toen ik in Frankrijk ging druivenplukken. We verstonden geen woord Frans toen we weggingen, maar naarmate de tijd verstreek, verstond ik steeds meer woorden.
Als je dan de taal op school leert, met alle grammatica en lezen en schrijven, is dat natuurlijk heel wat anders. Zeker in het Frans, een taal die je anders opschrijft dan dat je het hoort. Een taal die altijd snel gesproken wordt en vaak moeilijk verstaanbaar.
Ik heb destijds aandachtig geprobeerd om bijvoorbeeld de speech van Jacques Delors te begrijpen, die in het teken van ‘Europese Studies’, de studie die ik deed in Amsterdam, als (1985-1995) voorzitter van de Europese Commissie, een lezing kwam geven in de Rai.
Het gene wat me van die speech vooral bijgebleven is, waren de woorden ‘L’ Europe Social’. Die woorden herhaalde Delors erg vaak in die speech. L’Europe Social betekende toen ook voornamelijk overdracht van Noord naar Zuid Europa. Iets wat nog steeds actueel is.
Moeten de Noord Europese landen garant staan voor de schulden van Zuid Europese landen? Nee, natuurlijk niet! zegt Noord Europa tegen Frankrijk.
Ga eerst maar eens naar een werkweek van 40 uur en verhoog maar eens de pensioenen tot 67 jaar. Het is toen niet gebeurd en het gebeurd nu, zo’n 35 jaar later, nog steeds niet. Frankrijk deed het niet, doet het niet en gaat het niet doen.
Maar dat is weer een heel ander verhaal.











