Veel geleerd van mijn moeder. Als jongetje kwam ik eens huilend thuis, ik
was op school uitgescholden voor ‘brillejood’ en ‘brillegek’, omdat ik een bril
moest dragen. Ze pakte mijn beide handen vast, was even stil, keek me aan en zei:
“Dat hoef je niet te pikken, nooit en van niemand”.
Prachtig gesproken. En helemaal waar ook.
Wachten.
Op bus, trein of tram, metro, boot of vliegtuig. Op een verbinding, op telefoon, op geld. Op de lift, op de post, op bezoek. In de file, in de rij bij de kassa. Tot iemand uitgepraat is, tot het je beurt is. Wachten, geduld hebben. Je bent er eigenlijk niet echt. Je bent niet, je wacht. Opgeteld wacht je zeker een paar maanden af in de loop van je leven.
Ik werk. Zuinig met vrije tijd. Beperkte tijd voor film of boek. Soms afwachten of het wel de moeite is. Soms moet je daar lang op wachten. In plaats van zappen of wachten op tv, kijk ik liever dvd want dan weet ik wat me te wachten staat. Aan het begin wil ik best even wachten, maar als het lang duurt, ga ik niet zitten wachten of het misschien nog wel leuk wordt.
Vroeger veel plannen gemaakt, lang gewacht. Nu wacht ik niet meer en voer ik mijn weinige goeie plannen liever meteen uit. Ik kan niet blijven wachten.
John Lennon zei het al;
‘Life is what happens while you are busy making other plans’
36 minuten doet de trein erover van Amsterdam-Lelylaan naar Den Haag Centraal. Het regende. Krantje lezen. Ineens was ik er al. Nog steeds in de verbouwing dat station.
Daarna geconstateerd dat het nieuwe gebouw van het Ministerie van Binnenlandse Zaken inmiddels de plaats heeft in genomen van het in de zestiger jaren zo modern geachte betonnen blok met de naam ‘Zwarte Weduwe’.
Goeie tijd, zo om een uur of 4 vertrekken. Heb je nog de hele avond. Te weinig voor al onze commentaren en bespiegelingen op de actuele werkelijkheid, maar toch. Fred ken ik al sinds m’n twaalfde, veel meegemaakt samen. De laatste tijd en vorig jaar weinig gezien; werken, werken, werken.
Een wandelingetje in de chinese buurt, schattig voorzien van rode straatverlichting in de vorm van pionnen en chinese vertalingen bij de straatnamen. Den Haag wil de chinezen, de kapitalisten van de 21e eeuw, een warm welkom heten. Ons favoriete chinese restaurant Fat Kee zat vol, dus het werd Wong Kee, waarschijnlijk een broer of zus van Fat dus. Het restaurant was groot en bezat naar onze mening geen lelijke kleuren, een beetje veel cognacrood en bruin en jammer alleen van dat lelijke systeemplafond. De bediening was correct, alleen had er wat ons betreft wel een lachje vanaf gemogen.
De avond was er een zonder grote stiltes, de levendige conversatie met de nodige humor en sarcasme zorgde ervoor dat het al snel half twaalf was en ik terug naar het station moest.
Spinvis, Tom Waits, Leonard Cohen en The Black Keys vormden de perfecte achtergrondmuziek.
– Wat is fiets in het russisch? – trapjerotskie.
– Het is groot, groen, ondergronds en vreet stenen? – Een grote, groene, ondergrondse
stenenvreter.
– Het leeft onder de grond en is nooit ziek? – Een Paracetamolletje.
– Het is zwart-wit gevlekt en het hangt in een boom? – Een tros koeien.
– Het is groen, bruin, het piept en het zit op een paaltje? – Het groenbruine paalpiepertje.
– Het is blauw en niet zwaar? – Lichtblauw.
– Het is geel en blauw? – Groen.
– Het is de hele dag vrolijk heeft allerlei kleuren, maakt allerlei geluiden en is de hele dag stoned? –
Kanariewiet.
– Het is groen en het drijft? – Een krop andrijfie.
– Het is groen en het komt heel snel naar beneden?- Een skiwi.
– Het is groen en erg moe? – Een krop slaap.
– Het is groen en vrolijk? – Sla-la-la-la-la-la-la….
– Het is groen en komt heel snel naar bededen? – Een slawine.
– Het is zwart, en als het uit de boom valt is je kachel stuk? – Je kachel.
– Het is wit, het staat in de tuin en het ontploft? – Een BOEMkool.
– Het is rood en wit, heeft een zonnetje en komt uit een reageerbuis? – Pipo de Kloon.
– Het is 20 cm lang, woont in het bos en verkoopt verzekeringen? – Polis de Boskabouter.
– Het is 20 cm groot, woont in het bos en is altijd de pineut? – Paulus de kloskabouter.
– Het is 20 cm lang, woon in het bos en heeft een gaaf gebit? – Paulus de Floskabouter.
– Het loopt dronken door het bos?- Paulus de Wodkabouter.
– Het is klein en scheit het hele bos vol? – Paulus de Bosbouter.
– Het is 20 cm lang, woont in het bos en weigert over te stappen op windows?
Paulus de Doskabouter.
– Het is bruin en het heeft flaporen? – Flapdrol.
– Het is groen en plakt?- Kermit de Sticker.
– Het is groen en bruin met nootjes? – Kermit de snicker.
– Het is blauw en wit? – Pino de Albino.
– Het zit in alle hoeken van je kamer en het schiet? – Plint Eastwood.
– Het ziet niets, en het schiet? – Blind Eastwood.
– Het schiet de verkeerde kant uit? – Clint Westwood.
– Het ligt op je tuinpad en het schiet… Grint Eastwood.
– Wat zit op een paard en heeft spijt? – Zorry.
– Hoe noem je de vrouw van een Bosjesman? – Een takkewijf.
– Een toilet op wielen? – Plee Mobil.
– Het zit op een dak en maakt muziek? – een dakkapel.
– Een woord van 12 letters zonder klinker? – Zandweggetje.
– Wat is een oester die vaak hoest? – Een hoester.
– Wat is een oester die aan het roesten is? – Een roester.
– Ruzie bij de directie?- Directiekeet.
En trouwens;
– Wat doen militairen in een burgeroorlog?
– Wat voelt een vlinder in zijn buik als hij verliefd is?
– Liegt een leugenaar als hij zegt dat hij liegt?
Waarom;
– Waarom wordt fonetisch niet gespeld zoals je het zegt?
– Waarom geeft een antwoordapparaat nooit antwoord als ik iets vraag?
– Waarom zitten er zwemvesten in een vliegtuig en geen parachutes?
– Waarom zit je achter een computer terwijl je er eigenlijk voor zit?
– Waarom zegt men “de wekker gaat af”terwijl hij eigenlijk aan gaat?
We gingen verhuizen. Naar Scherpenzeel. Scherpenscheel zei ik tegen m’n zusje die het net als ik maar niks vond. We hadden net in Soest vriendjes en vriendinnetjes en nu moesten we hier weg. Terwijl het in Soest toch veel leuker was als in dat gat met al die boeren. We woonden in de winkelstraat, hadden een prachtig groot openluchtzwembad, het Soester Natuurbad. De koningin woonde hier niet voor niets in de buurt ! En nu naar dat kale industrieterrein met dat kleine kikkerbadje. Niks was het waard, Scherpenscheel.
Toch leerde ik al snel wat nieuwe vriendjes kennen. Wimpie van de kapper bijvoorbeeld. Op een dag gingen we bramen plukken, we hadden al snel een emmer vol. Wimpie reed bij mij achter op de fiets mee naar huis. Wimpie maar lachen. ‘Wat is zo grappig?’ vroeg ik hem. Toen we thuiskwamen wist ik het; hij had alle bramen opgegeten.
Wimpie kwam met een kraai aan. De kraai was tam en bleef op z’n schouders zitten. Ik mocht de kraai ook een dag op m’n schouders hebben. Kwam ik ermee thuis, zei m’n moeder: ‘wat heb je nou meegebracht? Ik zal je een oogdoekje geven, dan ben je net een echte piraat!’
We gingen drie dagen op schoolreisje. De meester vertelde wat we allemaal mee moesten nemen. Daarna mochten we vragen stellen. Ik stak m’n vinger op: ‘moet je mes en vork meenemen?’. De klas moest hard lachen en de meester ook. Het bleek dat ze hadden verstaan ‘moet je je meisje ook mee nemen?’.
We deden ‘een heitje voor een karweitje’ op Woensdagmiddag. Dan belden we bij alle huizen aan en vroegen: ‘heeft U misschien een heitje voor een karweitje?’ Soms smeten ze de deur voor ons dicht maar soms mochten we de stoep aanvegen of de matten kloppen. ‘is het voor de padvinderij?’ vroeg men soms. ‘Ja’ zeiden we dan en bleven de desbetreffende persoon ernstig aankijken. Dan mochten we bijvoorbeeld het gras aanharken. We kregen meestal een dubbeltje, soms een kwartje. Als we een paar gulden bijelkaar hadden gingen we naar Werner, de speelgoedwinkel. Dan kochten we een stuiterbal of een of ander prulding waarvoor we, tot ergernis van meneer Werner, ons uitgebreid tijd namen om het uit te zoeken.
We gingen een hut bouwen. In het bos zochten we een mooie plek. Een kuil hadden we al gevonden, nu nog planken eroverheen en plastic en dan bladeren erover en klaar was Kees. We waren al een flink eind op weg. Ik had planken bij m’n vader op de werf gehaald met een platte kar, vuilniszakken had Wimpie in de garage bij hem thuis gevonden. Toen was daar opeens m’n andere vriend Ernest met een paar meisjes. ‘Als je een hut hebt moet je er wel een meisje bij hebben, anders is het niks’ zei hij. ‘Wat moet je hier, wij hebben de hut gebouwd’ zei Wimpie. ‘En ik heb voor de meisjes gezorgd’ zei Ernest, wijzend op de drie meisjes die een eindje verderop bij hun fietsen stonden te giechelen.
Ieder van ons zou ‘met iemand gaan’. Marjo had mij uitgekozen. Als je elkaar een kus gegeven had, dan was het ‘aan’. Dat deden we. Om het te vieren aten we een veterdrop die Ernest ook nog mee had genomen. Zo’n vriend had je tenminste wat aan.
Ik was morgen jarig en mocht drie vrienden voor m’n verjaardag uitnodigen. ‘Wat wil je als kado?’ vroegen ze me. ‘Die nummer 1 hit uit de top 40’ zei ik.
De volgende dag kwamen ze met z’n drieen aan en overhandigden me plechtig de single ‘El Condor Pasa’ van Simon & Garfunkel. Kostte toen vier gulden vijftig bij Buddingh, de muziekwinkel in Scherpenzeel.
Mijn eerste auto, een Opel Rekord die ik voor 900 gulden had gekocht, beschikte over ronde uitschuifbuisjes-sloten bij de ramen. Toen ik eens de sleutel in het contact had laten zitten en de deur had dichtgegooid, kon ik met de handen het raam naar beneden drukken door, met een in een lus gebogen ijzerdraad van een kleerhangertje, het buisje omhoog te vissen waarmee de deur geopend was.
Later ging het minder makkelijk. Ik was met vriend en hond naar strand Nulde aan het IJsselmeer gegaan. Het prachtige zomerweer deed ons verlangen naar een verfrissende duik in het koele nat. Toen we nogal plakkerig uit de warme auto kwamen, kleedden we ons snel uit. M’n autosleutel deed ik in m’n schoen. Terwijl we lekker aan het zwemmen waren, zag ik de hond met m’n schoen in z’n bek lopen! Spelen? dacht de hond toen hij me aan zag komen rennen en schudde me met de schoen in z’n bek van me af. Daarbij vloog de sleutel met een sierlijk boogje door de lucht en kwam ergens in het ondiepe strandwater op de bodem. Hoe vertwijfeld we ook, op onze knieën gezeten, met onze vingers de bodem aftastten, geen sleutel te bekennen. Daar stonden we dan aan het IJsselmeer; zonder sleutel en zonder geld. We liepen naar een bushalte en stapten de bus in alsof we dat dagelijks deden, met een vriendelijke groet aan de chauffeur die slechts onze grote hond aankeek en niet taande naar een kaartje.
Ons gesprek in de bus kwam op sleutels. Ik vertelde hoe m’n vriendin haar huissleutel als kind had kwijtgeraakt; ze had de sleutel speels omhooggegooid, maar in plaats naar beneden te komen, bleef de sleutel in een grote boom hangen. Pas in de herfst viel hij met de bladeren van de boom naar beneden.
Ook vertelde ik m’n vriend over de vele nachtelijke thuiskomsten met de deur op slot als ik diep in de nacht m’n bed in wilde duiken. Een geopend bovenraam van m’n slaapkamer bood dan meestal uitkomst. Of ik bleef gewoon in de auto slapen als het raam dicht zat. Wat dat betreft had ik het in de tijd dat ik een Lelijk Eend Bestel had bijzonder comfortabel. In het achterstel had ik een matras met slaapzak. Voor het geval dat. Maar ook tijdens nachtelijke uitstapjes waarbij we zo door het lint waren gegaan dat van autorijden geen sprake meer kon zijn heeft m’n slaapeend haar diensten bewezen. En wat te denken van het reisje naar Vlieland, waarbij m’n vriend en ik onze fietsen prima kwijt konden in het eendje.
Gelukkig had ik thuis nog een reservesleutel. De volgende dag stond m’n makker braaf op me te wachten. Ik was de trotse bezitter van een bordeauxrode Peugeot 404, oud model, met vleugeltjes als je naar de achterlichten keek. Van m’n leraar Nederlands had ik hem voor vierhonderd gulden gekocht. Automatic, een dekschuit zo langzaam hij optrok, maar een luxe jacht op de snelweg.
De Alfa Romeo Nuova Super die ik later had, spoot daarentegen als een kanon weg en scheurde overal met gemak voorbij. Nodigde uit tot een wat aggressievere rijstijl.
Met een houten stuur en pookje deed hij het ook erg goed bij de meerijdende meisjes.
Alleen startte hij steeds slechter. Het lag aan de elektrische starter, aldus de monteur in de garage. Hij bouwde een nieuwe starter in, maar het bleef knudde. Nieuwe onderdelen en reparaties kon ik me financieel niet veroorloven. Als uitkomst parkeerde ik in Amsterdam altijd op bruggen. Als ik wilde startten, zette ik hem in z’n vrij, duwde hem brug af, sprong in de auto en zette de versnelling snel in z’n twee. Meestal sprong-ie dan wel aan.
In Veenendaal, waar ik destijds woonde, zette ik hem s’avonds telkens bij de afrit naar de parkeerkelder van de supermarkt, de helling was schuin genoeg om de motor van de auto aan te laten slaan voordat de auto beneden bij het hek stond.
Toen hij een keer s’ochtends niet aansprong voor hij beneden was en het rolschuifhek nog dichtzat wachtte ik geduldig tot een verbaasde parkeerwachter het hek opende waar mijn auto voor stond te wachten. Na een vriendelijk praatje hielp de man me met duwen, waardoor hij aansprong en ik naar huis kon rijden.
Ook parkeerde ik m’n Alfa eens op een winteravond boven aan een naar beneden hellende marktplaats, waar die avond nog plaats genoeg was. Dat was de volgende ochtend niet het geval, het was markt. Ik probeerde m’n vaartuig naar beneden te duwen, maar plotseling was er geen houden meer aan; het had gesneeuwd en was een beetje glad, zodat ik de auto niet meer af kon remmen en tussen een groentestal en een viskraam klem kwam te zitten, omringd door vloekende marktkooplui.
Gelukkig kwam ik er tussenuit. Benedengekomen vroeg ik een vrouw in een nieuwe BMW of ze me misschien aan kon slepen. Ze was vriendelijk en gaf me een spiksplinternieuw sleeptouw. ‘Hier, maak maar vast’. Het was nog donker en ik zag niet veel, maar zo goed en zo kwaad als het ging maakte ik het touw aan de onderkant van de BMW vast. Toen ik een seintje gaf dat ze kon rijden, bleek dat ik het touw aan haar achteras had vastgemaakt, zodat het touw zich oprolde en brak. Pijnlijk.‘Sorry, het spijt me, toch nog bedankt’ wist ik te zeggen, de vrouw stapte in haar auto en reed weg. Het sneeuwen was nu nog dichter geworden, tijd om uit te kijken naar een ander hulpvaardig medemens. Een sneeuwschuiver van de gemeente kwam voorbij en vroeg wat er aan de hand was. ‘waar woon je? Verlaat 51? O dat is vlakbij, we slepen je wel even naar huis’ zei de gemeentediender. ‘Graag, dank je wel!’ zei ik, blij dat ik voor vandaag van het gedonder met die auto af was. Dan zag ik wel verder.
Opnemen met een cassette-recorder. Eerst de C60, een uur kon ermee opgenomen worden, later meestal de C90, daar konden twee elpees op. Maar losse nummers was ook leuk. Voor de televisie hield ik mijn microfoon op de buis gericht als bij Toppop m’n favoriete nummer kwam. De kunst was er niet doorheen te praten of andere geluiden te maken tijdens de opname. Van de radio nam ik ook met de microfoon op, dan was het zaak om op tijd te stoppen voordat de deejay er doorheen zou gaan praten. Aangezien de deejay het nummer al liet beginnen terwijl hij nog met de aankondiging bezig was of afkondigde terwijl het plaatje nog niet ten einde was, hadden mijn eerste cassettes een abrupt begin en/of einde. Mijn broer had een bandrecorder met van die grote banden. Zag er indrukwekkend uit. Met een microfoon nam hij ook vele platen op. De box plaatste hij in een doos waar hij de microfoon voor zette. Later ontdekte ik de diode-kabel en arbeidsvitaminen. Nu kon ik erdoorheen praten tijdens opnames en hele nummers opnemen tijdens de arbeidsvitaminen. Van te voren zocht ik dan al de op te nemen nummers uit de top 40, zoals gepubliceerd in de Tros-Kompas. De cassettes had ik uitvoerig voorzien van een inhoudsopgave. Veel aandacht besteedde ik aan de vormgeving. Met uitgeknipte fotootjes uit muziekkrant Oor en glitterpapier leukte ik de doosjes op tot kunstwerkjes. Eerst was er nog het cassettedeck, een intensief gebruikt medium destijds. Cassettes opnemen was goedkoper dan platen kopen, maar minder mooi kwa geluid en outfit. Na ze een aantal jaren eerst thuis op cassettedeck en later voornamelijk in de auto gedraaid te hebben, belandden ze in de kelder toen er cd-spelers in de auto’s kwamen.
De doos met honderden cassettes heb ik twintig jaar een vijftiental verhuizingen meegesleept. Bij de laatste verhuizing in zijn totaliteit bij de vuilnis gezet. Ik deed er al jaren niks meer mee.
m’n eerste Yamaha was cognackleurig, m’n jongste broer had een paarse (mijn oudste broer was Puch-rijder) we maakten er een sport van om hem ‘op te voeren’. Grotere cylinder, tandwielen en uitlaat, zodat het aantal toegestane kilometers in ruime mate gepasseerd werd. Een Buddy-sit en een snel stuur deed het nodige voor het out-fit van de machine. En dan verchromen. Je kon onderdelen verchromen, bijvoorbeeld je tank. Een vriend van m’n broer liet z’n hele Yamaha verchromen. Maar ja dat was de Yamaha-club. Daar hoorde ik eigenlijk niet echt bij, zoals ik nergens bijhoorde. Maar dat snelle flitsende vond ik toch wel wat hebben en vooral het daarmee gepaarde Tuutje pesten. De Tuut, zoals we de politie destijds noemden, zat de opgevoerde brommers regelmatig achterna.
Zaterdagavond in Amersfoort. Bij het stoplicht van het Julianaplein. Controle. De agent had het snel gezien.Of ik hem maar even wilde volgen naar het buro. ‘Ja natuurlijk agent’ zei ik joviaal. Een paarhonderd meter verder schoot ik de eerste zijstraat in, gevolgd door loeiende sirenes. Een wilde achtervolging van een uur, over de grote weg Amersfoort uit, richting Leusden en pas in Woudenberg een zijstraat in, pech: doodlopende weg. Twee agenten sprongen uit de wagen, pakten me ieder aan een arm en zetten me in de handklemmen. Net een filmscene.
M’n brommer werd in beslag genomen en van snelle onderdelen ontdaan, ik kon hem een paar dagen later ophalen. Tevens een boete van driehonderd gulden.
Laat ik eens kijken wat de keurslager hier in Osdorp te bieden heeft. Tot mijn verrassing zie ik in de glazen vitrines een aantal Hollandse stamppotten uitgestald staan. Kant en klaar en indien gewenst verkrijgbaar met een succadelapje of gehaktbal met jus. Alleen even in de pan opwarmen. Hutspot, Boerenkool, Andijviestamppot. Oude namen, lang vergeten en weinig gegeten. Om het eens uit te proberen bestelde ik een andijviestamppot met een succadelapje. Erg van gesmuld bij het avondeten. Lang vergeten smaak, na het vele wokken, thais, chinees, japans, surinaams, turks, marokkaans en wat er in de loop der jaren verder nog aan multi-culti gerechten op mijn tafel geserveerd was; hier kon niets tegenop. Onvervalste Hollandse gezondheid, vitamienen en smaak. Lekkere jus ook. Niks mis mee. Zuurkoolstamppot, rode bietjessalade, knolselderie, prei, stoofpeertjes, rabarber. Bij ons thuis stond vroeger het seizoen op tafel. Hollandse groenten met vlees en aardappelen, en stamppotten met groenten en aardappelen. Jullie smaken naar vroeger. Waar waren jullie al die jaren? Waar blijft het Hollandse restaurant? Een goeie naam heb ik al; Moeders Pot (al bestond er vroeger in een zijstraat van de Haarlemmerstraat ook een eethuisje, waar een voormalig scheepskok voor een tientje een overheerlijke hollandse maaltijd serveerde, ik weet niet of hij nog leeft) ook een goeie naam lijkt me ‘Eten Wat De Pot Schaft’