Ik zie hem elke ochtend om 9 uur als ik door Almere loop; het achterneefje van Bob Marley. Hij loopt ijverig te stofzuigen op straat met de straatstofzuiger. Dat ze die nog niet in Amsterdam gebruiken is me een raadsel. Het is een ideale machine; geruisloos, dus niet het storende lawaai dat je hoort bij de bladblazers, maar helemaal stil. Een verademing voor de oren. Bovendien is hij goed voor het milieu, deze elektrische machine.

Mooie slogan ook achterop zijn werkkleding; Almere werkt. I Amsterdam, niets boven Groningen, maar Almere werkt. Meer is niet nodig, toch? Kort en bondig. Al vraag ik me af wie er werkt in Almere als ik op een doordeweekse dag door het winkelcentrum loop waar Almere centrum grotendeels uit bestaat. De verkoopmedewerkers van de Primark in ieder geval wel, die hebben het druk genoeg, want om vijf voor negen staat al een groep mensen te wachten tot hij opengaat. Ook de Etos, Kruidvat en Dirk van de Broek mogen zich verheugen op klandizie. Maar het aantal winkels waar nauwelijks klanten komen is groot. Al die kledingwinkels voor tienermeisjes bijvoorbeeld, al die schoenenwinkels en elektrozaken. Het is er meestal leeg. Almere werkt? Ja, in Amsterdam of in Utrecht, maar meestal niet in Almere. Almere koopt? Ja, in sommige winkels wel en in andere niet.
Men koopt liever op internet, goedkoper, geen parkeerplaats zoeken en betalen en heel simpel; niet goed, geld terug. Maar toch is daar in Almere niet veel van te merken. Massa’s lopen door de winkelstraten, kopen vette happen broodjes Döner en MacDonalds, drinken een biertje op een terras en kijken om zich heen naar andere mensen die hetzelfde doen.
Als ze weggaan en s’avonds afval op straat laten liggen, is daar s’ochtends het achterneefje van Bob Marley weer om het op te ruimen. Met zijn unieke straatstofzuiger. Almere werkt.

Waarom is lachen grappig? De Internationale Vereniging voor Humorstudies heeft ongeveer vierhonderd leden. Dat zijn er niet eens zoveel, als je nagaat hoe belangrijk lachen in ons leven is. Kleine kinderen lachen een paar honderdkeer per dag. Volwassenen is het lachen grotendeels vergaan, maar zij lachen nog zo’n vijftien keer per dag. En maar een enkele keer omdat iets bewust grappig wilt zijn, zoals een mop of een spotprent. Alle andere keren biedt het leven zelf ons de clou aan. Want een clou, daar moeten we het van hebben.
Onze ‘gevaar is weg’ detectoren worden prettig geprikkeld wanneer we een plotselinge verandering ervaren in onze kijk op de wereld. Dat kan komen doordat de wereld zelf er opeens anders uitziet – een van de vroegste vormen van humor is een klein kind dat met een volwassene kiekeboe speelt. Daar echt een wetenschappelijke vinger achter krijgen lukt eigenlijk alleen door het heel gedetailleerd analyseren van moppen. Sinds 1986 doet de ‘Algemene Theorie van verbale humor’ opgeld, geformuleerd door Victor Raskin en later uitgewerkt samen met Salvatore Attardo, allebei werkzaam in de Verenigde Staten.
Die theorie zegt dat moppen (en in principe alles wat we als een ongerijmdheid ervaren) berust op een ongerijmdheid: iets in het verhaal dat net niet helemaal klopt. Het kan zijn dat de verteller van de mop die weeffout er al van tevoren in stopt. De clou biedt dan de oplossing en onze instinctieve opluchting daarover maakt ons aan het lachen, mits de oplossing onverwacht en mogelijk absurd is. Anders is de mop ‘flauw’.
Grappen hoeven niet aardig te zijn, of smaakvol, of politiek correct. We lachen juist harder om moppen die eigenlijk niet kunnen. Hoogstens is er van onze gezichten dan ook nog een mengeling te lezen van plezier en afgrijzen.
Maar dat is ook wel weer logisch: humor verzoent ons met het leven zelf, zegt Appletree Rodden, die tegenwoordig voor zijn brood hersenscans maakt van mensen die naar moppen luisteren, maar vroeger ook balletdanser is geweest, hersenchirurg, dorpsdokter in Afrika en niet te vergeten een diploma heeft waarmee hij in methodistische kerken mag preken. Volgens hem zijn humor en religie alternatieve manieren om ons te verzoenen met de dood en meer in het algemeen met het niet zo geweldig deugen van de wereld.
Uit: Trouw, 8-8-2005
Leuk gesprek met Omar, een cursist uit Tunesië vandaag. Ik had er erover met hem dat ik me tijdens mijn vakantie in zijn land afvroeg hoe veel mannen het uit kunnen houden om de hele dag gewoon niks te zitten doen. Ik zag veel volwassen mannen in dorpjes in hurkzit langs de weg zitten en voor zich uit zien staren. Ik wordt na vijf minuten niks doen al onrustig; hoe houden ze het uit? Een kopje thee drinken, een kaartje leggen, de dag voorbij laten gaan. Even thuis een hapje eten en dan weer met andere mannen bij elkaar gaan zitten kaarten, ik moet er niet aan denken. ‘Ach, er is veel werkeloosheid en die mannen hebben niks beters te doen’ en ook ‘onze mensen zijn heel sociaal en praten veel samen’. ‘Hier heeft iedereen haast en is men op straat om van een plaats naar de anderen te gaan. In mijn land speelt het leven zich voor een groot deel op straat af’.
Hier kost tijd geld, daar is het gratis.
Er is een klimaat- theorie van een professor, waarmee volgens hem het verschil in rijkdom tussen de noordelijke landen en de zuidelijke landen mee verklaart wordt. Deze theorie komt erop neer dat in de noordelijke landen, waar het klimaat kouder is, de mensen vanzelf wel iets moeten gaan doen om het niet koud te krijgen. Hierdoor zijn de noordelijke mensen actiever van aard en konden de noordelijke landen zich sneller ontwikkelen en een veel hoger welvaartspeil bereiken. Ook zijn we hierdoor gewend om wat langer vooruit te denken dan de dag van vandaag. In Afrika, waar veel armoede heerst, is de infra- structuur een belangrijk probleem. Maar tot een alomvattend plan om die aan te leggen is het nog nooit gekomen. Als er eens iets verdiend wordt, wordt het vaak snel uitgegeven, men gaat bij wijze van spreken staan kijken wat moeder aan het koken is in plaats van plannen maken voor de volgende dag. Vooruitkijken is niet gebruikelijk, men leeft meer met de dag.
Het is een theorie. Een andere is dat mensen die uit zonnige landen komen vaker lachen. Dat zou komen door de energie van de zon, die tot vrolijkheid stemt. Maar de hoeveelheid mensen die uit warme landen komen aan wie ik les mocht geven die weinig lachen was aanzienlijk groter dan degenen die veel lachen. Dit heeft natuurlijk te maken dat ze hier niet zijn om vakantie te vieren, maar om hun brood te verdienen. Er moeten diploma’s gehaald en banen gevonden worden.
Een ernstige situatie. Maar ook een kans.
Het zijn er nogal wat, al die abonnementen. Internet, telefoon, Televisie. Regelmatig komen weer nieuwe aanbiedingen via mail of post bij je binnen. Alles in 1 Pakket is wel de grote knaller op dit ogenblik. Zit ik bij KPN, een hele dure telefoon. Zit ik bij UPC voor Televisie en zit ik bij Telfort voor Internet. Die laatste twee laten zich eenvoudig combineren, eventueel met vaste telefonie, maar daar maak ik al jaren geen gebruik meer van. Krijg ik van UPC een folder dat een alles in 1 pakket slechts 18,50 – de eerste drie maanden- daarna 30 Euro per maand kost. Nu betaal ik 20 E aan TV en 20 Euro aan Internet. Interessant en ik bel UPC. Het komt erop neer dat ik mijn klantnummer even aan Telfort moet vragen zodat dat abonnement opgezegd kan worden. Bel ik Telfort, doet ze me nog een interessantere aanbieding; 21,50 per maand. Moet ik alleen even UPC zelf opzeggen. Zo gezegd zo gedaan. Snelle, wakkere dames daar aan de telefoon bij Telfort.
Ik was onder de indruk van de vrouw uit Bosnië. 18 jaar geleden was ze naar Nederland gevlucht, één van de velen. In een paar jaar het staatsexamen II gehaald, medicijnen gestudeerd. Daarna een specialisatie gedaan als psychiater. Een vlotte prater met een licht Brabants accent. Ze is helemaal uit Best gekomen, een dorpje bij Eindhoven. Ajnira kreeg nogal eens kritiek van superieuren dat haar Nederlands verslagschrijven niet zo goed was. Daar wil ze verandering in brengen. Vandaag begonnen we aan het boekje ‘Slagvaardig schrijven’, een methode die ik ook met kleuterleidsters in Zuid Oost heb doorgewerkt en die zeer effectief is.
Ze praatte veel. Over de tijd van de oorlog in Joegoslavië en de totale onbegrijpelijkheid ervan. Ik weet de radioberichten nog uit die tijd; moordpartijen tussen de Bosnische Serviers en Bosnische moslims, bijna niemand begreep iets van die oorlog, die twintig jaar geleden begon.

Geboren in Sarajevo (zie foto), altijd zonder problemen met haar landgenoten geleefd. Ineens was de zinloze oorlog er, die uiteindelijk niks gebracht heeft dan honderdduizenden vluchtelingen en vele duizenden doden en gewonden. Ajnira heeft familie in de Verenigde Staten, Spanje en Engeland wonen. Zij heeft hier meteen haar kans gegrepen, was nog een scholiere toen ze kwam en werkte zich op tot huisarts. Ze vluchtte in de studie en deed dat met volle overgave. Ik heb iets dergelijks ook gezien bij sommige meisjes uit landen als Afghanistan en Iran; meisjes, die in hun land weinig kansen hebben, hebben hier hun carrière goed gepland en gaan er helemaal voor om hun doel te bereiken.
Een zeer talentvolle en intelligente verschijning, deze dame. Ze maakte indruk. Ik had wel vaker Bosniërs in de klas gehad. Ook Kroaten en Serviërs. Sommigen hadden nog steeds een trauma en zaten in een uitkering, al of niet met vrijwilligerswerk, sommigen hadden hier een goede baan. Maar zo hoog opgeleid als deze dame heb ik nog geen Bosnische of Bosniër gekend. Een hoge opleiding, een goeie baan en dan toch nog zeer kritisch op zichzelf. Respect.
‘Filers’: Kent U ze? Die altijd honderd procent georganiseerde types? Nooit rommel of chaos op hun bureau, en alles perfect opgeruimd. Een beetje saai misschien, en soms ook behoorlijk irritant, maar wel reuze efficient. Want wat is het toppunt van doelmatigheid? Toch zeker: een clean desk.
‘Pilers’: mensen die hun bureau altijd vol hebben liggen met paperassen, wat niet betekent dat ze lui zijn of slordig. Al dat papier fungeert als een fysieke landkaart (praktische projectie) van wat zich in hun hoofd afspeelt; van ‘een soort tijdelijke opstelling van ideeen en input die ze nog niet kunnen categoriseren, of waarvan ze nog niet weten hoe ze die zullen gebruiken’. Ben je daar eenmaal wél mee klaar, en heeft het papier zijn functie vervuld, dan is het af en gaat het desbetreffende papier de prullebak in, af is af, dus verder, wég ermee!

Een opgeruimd bureau is helemaal geen must om goed te werken. Integendeel zelfs, zo blijkt uit Nederlands onderzoek waarover The Daily Mail bericht. Zo zou een rommelig bureau werknemers net creatiever maken.

Door de “chaotische omgeving” konden de proefpersonen gemakkelijker helderder denken. Visuele rommel zou werknemers helpen om beter te focussen. “Rommel brengt probleemoplossende mechanismen op gang”, vertelt onderzoeker Jia Liu van de Universiteit van Groningen in Nederland. Als je baas je dus aanmaant om je bureau op te ruimen, kan je trouwens altijd verwijzen naar de grote geesten zoals Albert Einstein en Roald Dahl, die erom bekend stonden altijd een propvol bureau te hebben. (Daily Mail, 26-01-2012)

‘Filers’: mensen die alles wat ze aan informatie binnenkrijgen meteen dwangmatig opbergen, in precies het juiste dossier, in precies de juiste map. Met veel contra-productieve gevolgen. Zoals tijdverspilling, doordat ze zo veel energie hebben gestopt in de opbouw van hun prachtige bewaarsysteem, en ze veel meer dingen archiveren dan nodig is. En zoals verlies van informatie, doordat hun archief zo groot en ingewikkeld is, dat ze er zelf de weg niet meer in terugvinden.
‘Pilers’ hebben daar geen last van. En ondanks de schijn van het tegendeel gaan ook zij heel systematisch te werk. Want al die briefjes, scheursels, kopieen, faxen, prints, notities, knipsels en Post-it-blaadjes liggen daar niet willekeurig en chaotisch door elkaar heen, maar zijn strategisch gerangschikt. Met middenin een ‘hot area’ vol zaken waar de piler op dat moment het meest mee bezig is; met daaromheen een ‘warme’ zone van minder urgente zaken; en aan de buitenrand een ‘koud’ gebied met dingen die eigenlijk wel in de prullenbak kunnen.
De bottom line: pilers vinden sneller dan filers de dingen die ze nodig hebben, en zij houden beter zicht op hun eigen taken en op de voortgang die ze daarin maken.
(Flip Vuijsje uit: Economie & Management, 2003).
Zelf ben ik meer Filer dan Piler, hoewel het vaak een mix is. Door de weeks heb ik het te druk om alles te Filen, dus in het chaos op mijn bureau. Op de Zondagmorgen ga ik dan filen.
Maar ik herken duidelijk de voordelen van de Piler, die ik ook ben. Ik categoriseer wel het pilen, dus ik gooi alle facturen in een bakje facturen en alle boeken op een stapel in de kast. Op Zondag ga ik mijn boekhouding doen en alles filen. Categoriseren, soort bij soort stoppen. Meestal in mappen, papieren, krantenknipsels, kaarten, foto’s en kopieën die ik wil bewaren omdat ik denk ze nog eens nodig te kunnen hebben. Wat minder vaak het geval is dan ik denk, met als onverbiddelijk gevolg een voortdurende uitbreiding van de hoeveelheid papieren. Het filen is dus eigenlijk meer een soort pilen geworden. Ik categoriseer wel veel, maar doe er vervolgens te weinig mee. Een paar keer per jaar is het dan nodig om de hoeveelheid gefilde, gecategoriseerde informatie en papieren eens door te nemen en weg te gooien wat ik niet meer nodig vind om nog te filen. Dat blijkt altijd weer meer te zijn dan ik aanvankelijk bij het filen had gedacht. Dus via een omweg ben ik dus eerst aan het filen en dan aan het pilen. Het komt erop neer dat ik beter meer kan pilen en daarna weggooien, in plaats van het te filen en daarna nogmaals te filen.
Ik moet meer pilen dan filen.

In het weekblad ‘The economist’ stond een mooi artikel; ‘In Praise of Clutter’ (Leve de warboel), dat van de moderne mythologie van het schone bureau niets heel laat.
Het komt erop neer dat pilers sneller dan filers de dingen vinden die ze nodig hebben, en zij houden beter zicht op hun eigen taken en op de voortgang die ze daarin maken.
Gewoon gezellig, vooral als de zon schijnt. Daar op de hoek van de Jacop van Lennepstraat. De ideale locatie waar ik vaak te vinden ben als de zon schijnt in het weekend. Lekkere stoelen, goeie bediening en beschaafd publiek. Geen doorgaand verkeer, geen autogassen of lawaai, maar zo’n rustig achterafstraatje. Waar vind je zoiets in het centrum van de stad? Soms kom ik met een vriend, soms alleen om de krant of een boek te lezen. Vanaf een uur of vier, soms vroeger, ben ik er tot een uur of zeven als de zon verdwenen is achter de huizen. S’ winters stop ik er soms voor een cappuccino, mijn vrouw voor een warme chocolademelk met slagroom. Zomers ga ik vaak voor een lekker wit biertje.

Uit de wind in de zon voel ik me als God in Frankrijk. Deze uitdrukking bestaat niet in het Frans, leerde mij mijn Franse vriendin destijds. In het Frans vertaald is het; ‘Vivre comme un coq en pattes’. In het Nederlands kun je ook zeggen; ‘Hij neemt het er goed van’.
Lange rijen bij het Van Gogh museum vandaag aan het begin van de Paasvakantie. Ik verbaas me er altijd weer over hoe mensen veel geld uit kunnen geven aan dure reis- en verblijfskosten en vervolgens hier urenlang in de rij gaan staan voor het Van Goghmuseum. Ik zou mijn tijd op een andere manier willen besteden, maar massa- toerisme is iets vreemds.

Bij het Anne Frank museum idem dito, soms een kilometer lange rij.

Dan sta je dus de halve dag van de kostbare en weinige vrije tijd dat je vakantie hebt, in de rij. En dan betaal je ook nog een fiks bedrag aan entree, na uren wachten.
Ik vraag me af hoeveel van de toeristen die in de rij staan, na de vakantie dagelijks weer in de file staan van en naar hun werk.
Het is als met de ‘zwarte zaterdag’ in de zomervakantie, men weet dat men in de file terechtkomt, maar gaat toch. Honderden kilometers file in Frankrijk elk jaar. Maar de massa gaat, elk jaar weer, tijdens vakanties vrolijk in de rij staan.
Kuddedieren zijn het.
‘Hier wordt het geld verdiend in Nederland’ denk ik telkens als ik in het kassengebied rond Aalsmeer rijd. Het ziet er prachtig uit, die verlichte kassen en ik kan het niet laten om toch even een fotootje te maken van een kas. De kleur van het licht, het water er langs en de bloemen ervoor.

In Ter Kwakel mocht ik de kassen waar ik aan Polen lesgeef, bezichtigen. Een Pool, Derick, liet me de kas van binnen zien. Paprika’s, extra kwaliteit, 98% voor de export. Lange slierten van dun touw reikten tot aan het plafond, zo’n meter of zes hoog. De Polen staan op een elektrisch hefplateau, om makkelijk er bij te kunnen. Het einde van de kassen is niet te zien, zo groot is hij.

Binnen is het een aangename temperatuur van 21 graden. Zomers lopen de temperaturen op tot meer dan dertig graden. De Polen zijn nog jong en werken van s’ochtends half zeven tot s’middags vijf uur, 3 pauzes. Zaterdag tot 1 uur s’middags. Derrick woont in Kudelstaart, zijn kinderen gaan hier naar school, daar wil hij natuurlijk goed mee praten. Daar komt nog bij dat hij ‘een wat hogere functie in het management’ ambieert, kortom hoogste tijd om nederlandse te leren.


Mijn collega belde of ik vanavond de klas over wilde nemen van een collega, een staatsexamengroep. Hij had geen andere vervanging kunnen regelen. Dus vanavond heb ik twee klassen in buurthuis de Pijp. Een slim plan is nodig om ze allebei bezig te houden. Differentiëren heet dat. Ik denk dat ik de inburgeraars aan de computers zet en de staatsexamengroep een oud examen laat maken. Terwijl ik dat heb uitgedeeld ga ik naar de inburgeraars om met hun even het examen Toets Gesproken Nederlands te oefenen.
Daarna, als ze weer aan de computer zitten, ga ik naar de staatsexamengroep om met hun het examen na te kijken. Dus moet ik zorgen dat ik een goede planning maak voor vanavond, dan is het wel te doen voor een keer. Ik heb het vroeger vaker gedaan, twee groepen. Veel ingevallen ben ik ook voor zieke collega’s. Zelf ben ik nooit ziek geweest, de afgelopen 6 jaar als NT2-docent, dat wil ik graag zo houden. Hoe? Veel beweging, gezond eten, niet te laat naar bed en plezier in m’n werk.