Sinds kort in het bezit van een heuse I-Phone 4S, verbaasde ik me er sinds een paar dagen over dat ik niets hoorde als ik gebeld werd. Heel vervelend om mijn beltoon ‘oude telefoon’ niet meer te horen. Na bellen met 1200 kreeg ik het advies even naar een KPN winkel te gaan met het toestel. Daar bleek al gauw dat ik een klein knopje over het hoofd had gezien dat zich bevond boven links van het toestel. Het knopje waarmee geluid aan- en uitgezet kan worden. Het knopje stond op ‘geluid uit’.
Hoe stom kan je zijn? Je gaat vaak te moeilijk zitten denken als er iets niet werkt, dat geldt ook voor auto’s en machines.
Zo werkte ik enkele jaren in Duitsland in het ‘Allianz Assistance’ call- center voor auto’s met pech. Het kwam regelmatig voor dat klanten de meest domme fouten maakten. Auto’s afgesloten met de sleutel nog in het stuurslot of verkeerde benzine getankt. Dat soort dingen vielen niet onder de verzekeringsvoorwaarden. ‘Domheid is niet verzekerd’, daar kwam het op neer. In dat geval moest de automobilist(e) 300 Euro betalen om een monteur te laten komen om de autodeur te openen. In het geval van verkeerde benzine tanken kon het zijn dat de hele motor vervangen moest worden. Dure grap.
Ook heb ik in Duitsland een paar jaar gewerkt voor Sigma Diagnostics. Customers Support voor Coagulatie machines (bloedonderzoek) in laboratoria en ziekenhuizen in Frankrijk, Duitsland en Nederland. Ik maakte het rooster voor de technici die de machines kwamen repareren als er iets niet meer goed werkte.
Eerst had ik altijd een aantal standaardvragen die vaak niet overbodig bleken;
– Heeft U de stekker in het stopcontact gedaan?
– Heeft U water bijgevuld?
– Heeft U de machine ingeschakeld?
Vooraf werden hiermee al veel van de problemen opgelost.
‘Vrijheid is een volgetankte Mercedes
Vrolijkheid is een mooie zwoele chick
Het geluk, dat is de poen die er weer besteed is
Anders duurt de liefde maar een ogenblik’.
Zong protestzanger Armand.
Op Bevrijdingsdag zou je een boek kunnen lezen
Over vrijheid
Zou je een film kunnen zien
Over vrijheid
Naar een openluchtconcert kunnen gaan
Om je onder of zonder invloed vrij te voelen
Dansen en gek doen
Dankzij de vrijheid
Maar wat op mij de meeste indruk maakte
Was mijn bezoek aan de Franse kust
bij Omaha Beach in Arromanches
Het waren de kerkhoven met eindeloze rijen
Duizenden witte kruizen netjes naast elkaar

En vooral de geboorte- en sterftecijfers erop
Jongens, vaak pas 18,19 jaar
Gestorven voor onze vrijheid

Twee keer per jaar moet hij eraan geloven, de koelkast. Ontdooien. Kwestie van de stroom eraf, alles leeg, ook de diepvriesvakken en dan schoonmaken met een sopje. Wachten tot het aangekoekte ijs van de diepvries ontdooit is. Overbodige ijsklompjes eraf schrapen. Een paar oude handdoeken op de grond voor de koelkast ter bescherming van het laminaat dat op de grond ligt.
Even wachten tot het ontdooit is en dan met een vochtige keukendoek afnemen, zorgen dat er geen ijs tussen het rooster blijft zitten.

Niet mijn favoriete klusje, wel een nuttig klusje. Want wat voor een voldoening om na de grote schoonmaak de koelkast weer open te doen. Hij lacht je tegemoet, een lust voor het oog. Geen druppels meer aan de wanden, geen vette glazen platen meer. Zoiets bewaar ik altijd voor de laatste vakantiedag, anders heb ik er nooit tijd voor. Heb ik er dubbel plezier van, eerst als mijn vrouw thuiskomt en ik kan met trotse glimlach de koelkastdeur voor haar openen. En dan nog de eerste weken als ik de koelkastdeur open en tevreden in een frisse, schone koelkast kijk.

Het is een verademing. Als je gewerkt hebt of gereisd hebt. Als je laat thuis komt en een beetje trek hebt. Daar staat hij dan, de grote pan met Bruine bonensoep. Even een kommetje volscheppen, drie minuten in de magnetron en genieten maar. Een opkikker van jewelste.
‘Twee op de drie Nederlanders heeft wel eens last van een dip. Dat is uitgezocht door Unox, want daar willen ze dat we Cup-a-Soup drinken als we dippen, dan komen we er weer bovenop’, aldus wijlen Martin Bril in zijn verhaaltje ‘Dip’.
Ik ben meer van het grote gebaar wat soep betreft, dat heb ik van huisuit meegekregen. Als er een feestje of verjaardag was, maakte mijn moeder altijd een grote pan soep, die aangeboden werd ter afsluiting. Kon je weer enigszins nuchter naar huis rijden. Het was een soep met eigen recept, een soort Goulash soep volgens mij. In ieder geval waren onze gasten er destijds dolenthousiast over.
Nu heb ik een lieve Thaise vrouw die heerlijke bruine bonensoep maakt. Ik heb haar niets gevraagd, niets uitgelegd. Nee, hij stond er gewoon op een avond. De grote pan met Bruine Bonensoep.


Laatste vakantiedag vandaag, mijn vrouw heeft vrij vandaag en bovendien is het bijna moederdag. Drie redenen om haar eens te verwennen, met de trein naar Leiden en een beetje shoppen en lekker uit eten. Ik ging de Plato- muziekwinkel in met de mededeling aan mijn vrouw dat ze maar moest komen als ze uitgekeken was. Kon ik ondertussen in alle rust wat leuke plaatjes zoeken. Mijn keuze viel op de oudjes David Bowie en Leonard Cohen. Dan wordt je oud, als je alleen nog naar zulke muziek luistert. Maar de nieuwe Lily Allen is ook leuk. Haar plaat, getiteld ‘Sheezus’, is trouwens een stuk leuker dan die van Kanye West, ‘Jeezus’. Die plaat was me een gruwel, terwijl ik zijn vorige plaat, ‘my beautiful dark twisted fantasy’, nou juist weer geweldig vond. Onbewust heb ik het nog steeds over een ‘plaat’, terwijl het dus een cd is. Maar ik vind een ‘plaat’ of een ‘plaatje’ altijd nog leuker klinken dan ‘seedee’.
‘Mango’, zo heette de dameskledingzaak waar mijn vrouw heen wilde. Terwijl ze een broek past, zie ik leuke leren jasjes hangen, in de aanbieding. Echt leer heeft wel wat, dus ik pak er eentje in haar maat en breng die naar haar in de paskamer. Hij staat haar geweldig, nog een sjaal erbij en ze is helemaal in het zonnetje gezet vandaag.
In het Duits zeggen ze; ‘Wir setzen noch einen darauf’ wat zoveel betekent dat je er nog een schepje bovenop doet. Waar bovenop? Op iets wat je al gedaan hebt en wat al leuk was. Bijvoorbeeld je bent al naar de film geweest en ‘wir setzen noch einen darauf’, dan ga je ook nog een biertje drinken na afloop.
Wij deden er een schepje bovenop door na het shoppen een bezoek te brengen aan Shabu Shabu, een uitstekend Sushi restaurant. Hier kregen we eerst uitleg over hoe te bestellen. Voor zo’n 18 Euro kon je ‘all you can eat’. Je had hier twee uur de tijd voor begreep ik. Bestellen deed je met een I-pad klein formaat, waarop de sushi gerechten te zien waren. Aanklikken is bestellen, wordt al snel gebracht.

Het persoonlijke gesprek met de ober is dus tot een minimum gereduceerd, het is beperkt tot het geven van instructies op de I-pad. Gelukkig kwam de ober wel vragen of het gesmaakt had, communicatie is dus ook nog zonder de schermen mogelijk, een hele geruststelling.
Het smaakte verrassend goed, de sushi’s, de salades (courgette, krab en aubergine), de saté’s (lam en kip, 1 stokje maar superieur van smaak). De wilde zalm, tonijn en garnalen. Alles opgediend in de juiste proporties. Zeewier, tjonge jong, dat zeewier zo goed kan smaken. Super gezond en energierijk voedsel daar bij Shabu Shabu. Ik zag net dat het een keten is, in Amsterdam zit hij op de Albert Cuyp.

Het eerste wat ik me herinner toen ik voor de eerste keer in Amsterdam kwam, was een vieze man bij het Centraal Station die vroeg; ‘heb je een gulden voor me?’. Niet eens ‘alstublieft’ of ‘Dag meneer’, nee domweg, ‘heb je een gulden voor me?’. Ik piekerde er niet over.
Vanmiddag reed ik weer op mijn fiets voor het Victoria Hotel langs, tegenover het Centraal Station, met het ingebouwde huisje in het midden wiens ontstaansgeschiedenis zo treffend is omschreven in Thomas Roosenbooms “Publieke Werken’. Maar dat is een ander verhaal.

Bussen die touristen uitbraken komen terecht op een smalle strook direct naast het fietspad en die de benen willen strekken, zorgen nog steeds voor levensgevaarlijke situaties door passerende scooters en fietsers. Men is na een aantal ongelukken overgegaan tot het schilderen van witte fietsen op het pad, ter waarschuwing dat er zich hier een fietspad bevindt.

Of deze maatregel afdoende is valt te betwijfelen, ik moet mijn fietsbel altijd flink moet laten rinkelen om ze te laten merken dat ik eraan kom op mijn fiets.
Paar keer zo’n busreis gemaakt, maar voor mij nooit meer. De kwelling van urenlang in de bus zitten waarbij je je benen niet kan strekken ken ik maar al te goed. Als je jong bent maakt je dat niet zoveel uit, zo ben ik tientallen keren voor 55 gulden met de nachtbus van Amsterdam naar Parijs gereisd. Kwam je om zeven uur s’ochtends op Place de la Bastille aan. Tientallen jaren later ben ik nog een paar keer met de nachtbus vanuit München naar Napels gegaan. Daar namen we de boot naar Ischia, het bloemeneiland. Niet confortabel, 13 uur in de bus, wel lekker voordelig. En wat voor een droomeiland is het, Ischia. We konden er geen genoeg van krijgen en kwamen elke zomer terug.



Ik moest even denken aan de busreis die ik meemaakte in 1987. Mijn zusje las voor uit een advertentie uit ‘De Telegraaf’: Voor 120 Gulden, een weekend Parijs! Inclusief busreis, hotel met ontbijt! ‘Doen we!’, zei m’n vader meteen. ‘Leuk!’ zei mijn moeder en een paar weken later zaten we s’ochtends om half vijf in de auto naar Utrecht, alwaar de bus zou vertrekken. Aanvankelijk dachten we dat hij vandaar uit in een keer door naar Parijs zou rijden. Dat bleek niet het geval; eerst reden we naar Den Bosch, daarna Eindhoven. Voordat we het land uit waren, was het al half negen. Zevenenhalf uur later, om vier uur s’middags in Parijs, mochten we eruit. Het was Mei en het was warm, we hadden dorst. Na bijna de hele Champs Elysee te hebben doorlopen, zagen we een terrasje en wisten niet hoe snel we plaats moesten nemen. ‘Bier, graag!’. Even later kwam de ober terug met twee halve liter glazen vol met bier. Mijn zusje en moeder namen een Bitter Lemon. Bij het afrekenen bleek dat we een fout hadden gemaakt door aan de dure winkelstraat op een terras te gaan zitten. Een paar straatjes achteraf is het al snel de helft goedkoper. Natuurlijk moest de Eiffeltoren beklommen worden, terwijl we op de tweede verdieping waren stond er een kartonnen eiffeltoren op een houten wandje geschilderd waar je je hoofd door kon steken en een foto kon maken. ‘Grappig, zo’n foto!’. Stom natuurlijk, hadden we niet moeten doen, want ook hier stond al snel iemand klaar om tien gulden te vragen.

De volgende fout was de keuze van het restaurant s’avonds. In Quartier Latin liepen we langs de vele restaurantjes, waaronder veel dure en weinig goedkope. We hadden trek en stapten al snel het eerste maar dus niet het beste restaurantje binnen. Een beetje schrale patat met droge sla naast een lullig schnitseltje, dat was het wel voor 12 gulden. ‘Bij Mac Donalds is het beter’, zei m’n zusje nog maar het was al te laat. Natuurlijk, ook hier hadden we naar een rustig achteraf straatje moeten gaan waar je de echte gezellige en typisch franse restaurants vindt. Maar dat zou ik pas later, mijn Franse vriendin ontdekken. Een stad leer je toch altijd het best kennen met iemand die er de weg weet.
Ik heb het een beetje te doen met de arme toeristen die bij het Centraal Station uit de bus stappen. Of op de Dam. Om dan met massa’s door de walmen van frituur en gebrand vlees en langs souvenirwinkels vol Cannabis- en Ajax- t- shirts, in de Wallen door smalle straatjes te schuifelen in de hoop iets van schaars geklede dames op te vangen.
De lucht is een donkere tint grijs terwijl ik naar De Kwakel rijdt.

Mooie combinatie met het oranje licht dat uit de kassen komt. Groen en geel van de bloemen, water ertussen. ‘Power Grow’. Derk staat me al op te wachten, we beginnen snel. Op tafel zie ik het boek ‘fifty shades of grey’ liggen, ‘vijftig tinten grijs’ in het Nederlands. ‘Goed boek?’ vraag ik Paulina. ‘Heel goed, ik ben het voor de tweede keer aan het lezen’. Ik verbaasde me hierover, je moet een boek wel heel goed vinden om het meteen nog een keer te lezen.
Criterium bij het bewaren van mijn boeken was altijd; ‘wil ik het nog een keer lezen?’. Zo ja, dan ging het de boekenkast in en anders naar De Slegte. Een boekenkast vol met boeken heb ik inmiddels wel verzameld. Of ik ze allemaal ook echt nog een keer ga lezen is natuurlijk zeer de vraag.
Na de les dacht ik nog even langs de C1000 te rijden om een kratje bier te halen. Verbouwing; het rood wordt geel. De C1000 wordt omgebouwd naar een Jumbo. Die keten in het geel zie je steeds meer opduiken tussen de (ook al rode) Dirk’ s en het blauw van de AH ’s. Mooi, al die bedrijvigheid. Binnen werkten een twintigtal mensen in wat een enorme chaos leek te zijn. Ik heb iets dergelijks meegemaakt bij een verbouwing van Mc Donalds in Amersfoort, waar ik schilderwerk deed destijds. Er liepen op het laatst zoveel mensen rond dat je er bijna duizelig van werd. Gelukkig wist iedereen heel goed wat hem of haar te doen stond. Zo werd het meubilair, houten zitbanken, ingebouwd door een groepje Oostenrijkse timmermannen die dit bij Mc Donalds overal in Europa hadden gedaan.
Goed, de C1000 word dus omgebouwd tot Jumbo. Dan maar naar de Lidl, ook vlakbij. Altijd weer verbazing over de lage prijzen. Pakken sojamelk hier maar 99 cent, elders vaak het dubbele. Sprankelend mineraalwater 1,5 liter voor 35 cent. Goeie wijn voor drie euro enz. Voor de gezelligheid hoeft je niet te komen. Gelukkig geen achtergrondpopmuziek. Bij Lidl kom je waar je voor komt. Muziek luisteren doe ik thuis wel.
‘Haaarooold, hee wacht even!’ Ik stop met mijn fiets en zie hem over de straat naar me toe rennen. Igor, een Rus die ik Nederlandse les heb gegeven. Het is alweer een paar jaar terug, maar ik zie hem nogal eens lopen in de buurt van de Amstelveense weg, waar hij woont. Igor is al een jaar of tien in Nederland. Hij was matroos op de wilde vaart en kwam erachter dat de ‘quality of life’ in Amsterdam vele malen hoger is dan in zijn geboorteland. Hier wilde hij blijven en dat heeft hij gedaan. Had een aantal jaren een eigen tegelzetters-/bouw-/schildersbedrijfje, maar door de crisis in de bouw kwam ook hier een eind aan. Nu heeft hij dan eindelijk het examen B1 gedaan, waarmee hij een MBO-opleiding kan gaan doen. Even babbelen, daar houdt hij van. Dus luister ik geduldig naar wat hij allemaal te vertellen heeft. Na een minuut of vijf vervolg ik mijn weg naar het financiële beleggingsbedrijf waar ik op Dinsdagavond altijd lesgeef.
Er is vanavond een nieuw meisje bijgekomen, uit Brussel. Ze kwam naar Amsterdam vanwege haar werk, maar ook voor de ‘quality of life’ die ze hier vele malen beter vindt dan in Brussel. Je kunt hier goed op de fiets rijden, in Brussel niet.

Daar is het drukker en viezer. Iets wat ik van grote stadbewoners overal ter wereld gehoord heb. Hier is het schoon en rustig. Niet helemaal natuurlijk, maar als je een dagje in Brussel, Parijs of Londen bent geweest is Amsterdam een verademing wat frisse lucht en ruimte betreft. En inderdaad is hier genoeg plaats, ook al is het krap, voor de fietser.
Vroeger werd ik op Plein 40-45 in Amsterdam-West, waar ik s’avonds een cursus Inburgering gaf, regelmatig geroepen als ik de markt bezocht. ‘Meester, meester!’. Als ik dan om me heen keek zag ik vaak een moeder met kinderwagen staan. Meestal met een Fatima of Aisha die bij mij in de klas had gezeten. ‘Wilt u even mijn baby zien?’ was dan steevast de vraag. Ik lachte dan vriendelijk en bewoog dan mijn hoofd naar boven de kinderwagen waar me een schattig poppetje met pretoogjes toelachte. ‘Mooie baby Fatima!’. Eerst vroeg ik dan hoe hij of zij heette, dan wist ik meestal ook zeker of het een jongen of een meisje was. Hoe of het verder ging, informeerde ik dan. Meestal had ze het heel erg druk en als ik dan vroeg waarmee dan was het ‘met de baby’.

Gepensioneerde ouders uit Marokko of Turkije blijven ook na hun pensioen liever in Nederland wonen, zeiden mijn cursisten me vaak als ik in de pauze een praatje met ze maakte. Als ik dan vroeg ‘waarom?’, dan was het meestal ‘voor de kleinkinderen. De scholen en de medische zorg zijn hier veel beter dan bij ons’.

Chen, de Chinees die er vanavond ook bij was, vind de ‘quality of life’ in Amsterdam ook veel beter dan in China. Ook in zijn stad in China was het vooral viezer en drukker.
Natuurlijk, er wordt veel geklaagd en er is van alles aan te merken op de bureaucratie en van alles en nog wat, maar ga je het vergelijken met andere landen, dan is het hier helemaal zo slecht nog niet.
Een vraag, meer niet. Een vraag dat een verhaal verteld. Een vraag waarop je even niet weet wat te antwoorden. De cartoons van Peter van Straaten boeien me al dertig jaar. Zijn scheurkalender bezorgt me al vele jaren een dagelijkse glimlach.

Deze cartoon vond ik zeer veelzeggend. ‘Hoe oud denkt u te worden?’. Vijf woorden zijn genoeg. Het drama dat zich hierachter verbergt. Heeft de man een ongeneeslijke ziekte, leeft de man ongezond en moet hij zijn leven veranderen? Allemaal vragen die naar boven komen. Beetje sneu, dat wel. Maar een accurate weergave van de werkelijkheid, die vaak ook een beetje sneu is.
Aandacht

Een zin, meer niet. Een zin waarin alles gezegd is. Een zin waar je niets meer aan toe hoeft te voegen. Peter de Wit zegt het, kort en krachtig.
‘Opgeruimd staat netjes’ luidt een Nederlands gezegde en dat vind ik ook. Wat je niet gebruikt kan je beter weggooien en alleen wat je gebruikt moet je bewaren. Anders kom je met steeds meer spullen te zitten. Zo ben ik in deze voorjaarsvakantie maar eens begonnen met een grondige opruimronde van mijn studieboeken, andere boeken, cd’s en platen, kleding, jassen, schoenen en last but not least; de keukenkastjes en laden. Vooral in de laden is het makkelijk om iets snel op te ruimen. Laden raken vaak snel vol met allerlei dingen waarvan je even niet weet wat je er mee moet doen; in de lade dan maar. Af en toe de laden checken en dumpen wat je niet gebruikt is dan ook een noodzakelijk ritueel dat voorkomt dat laden zo vol raken dat ze steeds minder makkelijk dichtgaan. Wat zich in de afgelopen jaren heeft opgehoopt is altijd meer dan verwacht en wat ervan gebruikt wordt veel minder. Bij veel dingen vraag ik me af; gebruik ik dit nog, wil ik hier nog naar luisteren, wil ik dit nog lezen? Als het antwoord lang op zich laat wachten is het duidelijk dat het niet meer zeker is of ik er nog iets mee doe. In dat geval gaat het weg, de deur uit of de vuilnisbak in. Cd’s, je krijgt er nog twee kwartjes of een euro voor bij Concerto en met boeken is het nog treuriger gesteld. De Slegte bestaat al niet meer en bij een tweedehands boekhandel krijg je er bijna niks voor want er wordt minder gelezen. Beland dus vaak in de oud-papierbak. Kleding gaat naar de kledingcontainer.
Na het opruimen wordt het overzichtelijker; je weet weer wat je hebt en wat je daarmee kan doen. Niks erger dan spullen die jarenlang onaangeroerd in kelders of kasten liggen.
Opruimen schept ruimte in je huis, in je kast en laden, maar ook in je hoofd. Een opgeruimd gevoel begint met een opgeruimd huis.
Weten wat je hebt en weten wie je bent.
Koot en Bie noemden dit ‘de ramen van de zolderkamer eens flink openzetten om de boel even goed door te laten waaien’. Koot en Bie, die met hun onvergetelijke ‘zoek jezelf’ een ode aan de introspectie gaven.

Zoek jezelf
Allemaal op weg naar niets, doen we zus of zomaar iets
Soms net echt, maar meestal kitsch, want wie speelt er nog zichzelf
Weet je nog wanneer dat was, toen je nog geen ander was
Niet in harnas achter glas, maar je eigenlijke zelf
Zoek jezelf broeders, vind jezelf, wees en blijf alleen jezelf
Dikkerdoenerij genoeg, op kantoor en in de kroeg
Als je nou ‘ns geen masker droeg, zou je dat niet beter staan
Wat moet je met die Januskop, daar schiet niemand iets mee op
‘t Is een kwestie van een knop, die moet enkel even om
Zoek jezelf zusters, vind jezelf, wees en blijf alleen jezelf
De man die op z’n tenen loopt en alleen zichzelf verkoopt
En nooit iets in z’n oren knoopt, die gaat nog eens lelijk dood
En met make-up van oor tot oor stelt z’n vrouw een ander voor
En hebben ze nog steeds niet door dat een glimlach beter staat
Zoek jezelf broeders, vind jezelf, wees en blijf alleen jezelf
Zoek jezelf broeders, vind jezelf, wees en blijf alleen jezelf
Zoek jezelf broeders, vind jezelf, wees en blijf alleen jezelf
Uit: De eerste langspeelplaat van het Simplisties Verbond.
© Amsterdam 1975.