Volgens mij was het een aantal jaren geleden bij Zomergasten, het VPRO zomerprogramma waarbij een bekende persoon zijn of haar persoonlijke keuze film of documentaire laat vertonen op de zondagavond.
Dit keer was het de beurt aan Freek de Jonge. Deze week nog bij de talkshow ‘Beau’, omdat hij al zijn cabaret shows op You tube heeft gezet. 75 is hij inmiddels en zijn beste tijd ligt lang achter ons.
Jarenlang was hij niet van de beeldbuis weg te slaan op oudjaar. Vrienden van me waren groot fan, maar ik begreep nooit waar hij het precies over had. Uitgebreid luisterde ik naar zijn shows als ‘De Mars’ en ‘Stroman en Trawanten’, maar waar het nou precies over ging snapte ik nooit. Maar smaken verschillen. Het was een beetje de tegenpool van Andre van Duin, het was ‘not done’ om die leuk te vinden.
Freek was ‘geëngageerd’ en had ‘een boodschap’. Wat die boodschap dan was, heb ik ook nooit kunnen volgen. Hij ratelde er maar op los, soms kon ik de helft niet verstaan wat hij zei. Een druktemaker, een schreeuwende en zwetende man met een rond brilletje op.
Freek had het ook over Youp van ’t Hek, die volgens hem alles van hem had afgekeken. Een beetje gelijk had hij wel. Youp was meer een soort ‘Freek- Light’, die vooral de mensen belachelijk maakte die gewoon een vast baantje op kantoor hadden. En daar een grappig verhaaltje omheen bracht. Ook herinner ik me iets van ‘Buckler’ het Heineken Light biertje, waar Youp een paar woordjes grappig over deed. Iets met mannetjes aan de bar die met hun auto-sleutels in hun hand een Buckler dronken.
Nee, ik was geen fan van Freek en Youp, ik kon er hoogstens soms om glimlachen. Koot en Bie, daar kon ik wel heel hard om lachen. En ‘Herenleed’; Armando, Cherry Duyns en Johnny van Doorn, die ik in ‘De Kleine Komedie’ zag met een vriendin. Tranen rolden over onze ogen, buikpijn hadden we van het lachen.
Maar goed, daar gaat het nu niet over. Freek bij Zomergasten, dat was wel weer erg goed. Waarom?
De documentaire die Freek had gekozen, ging het over weduwes van oorlogsveteranen in Engeland, die samen in een koor gingen zingen. Het was een bijna onmogelijke opgave, want de dames hadden geen ervaring met zingen en een vreselijk verdriet meegemaakt door het verlies van hun man.
Toch lukte het heel langzaam, na maanden en maanden oefenen, om een goed klinkend koor te laten optreden. Tot ieders verbazing.
Drie dingen waren ervoor nodig geweest. Met die drie dingen is alles te bereiken wat je wil;
1.Vertrouwen – daar begint alles mee, vertrouwen moet er zijn, zowel zelfvertrouwen als vertrouwen dat je samen met de groep iets kan bereiken.
2.Discipline – op vaste tijden met volle inzet werken.
3.Concentratie – 100% met datgene bezig zijn in je hoofd waar je mee bezig bent.
Ik vond het verbluffend, dit keer begreep ik Freek goed, hij had helemaal gelijk.
Denkend aan Holland zie ik grijze luchten. Het zijn van de ‘tussen in’dagen, met die grijze lucht. Niet echt koud maar zeker ook niet warm. Gewoon niet aangenaam buiten. Van die dagen zijn er veel in Nederland. Teveel. Heb je in het zuiden van Europa 8 tot 10 maanden zon per jaar, hierboven in het Noorden moeten we het stellen met misschien zo’n twee maanden zonnig en aangenaam weer en misschien nog een paar maanden zonnig, maar koud weer. De rest van het jaar is er geen zon en veel regen en wind.
Kortom, voor het weer komt hier niemand naar toe. Op zulke dagen kan je het beste hard aan het werk zijn zodat je niet naar die grijze lucht hoeft te kijken.
Op de Vrije Universiteit volgde ik eens een college filosofie van een professor die er een paar interessante theorien op na hield. Eentje had met het klimaat en de activiteiten van de mensen te maken. Hij begon met te vragen waarom Noord Europa en Amerika de rijkste gebieden van de wereld zijn en waarom Afrika, Arabische landen en Zuid Amerika zo arm zijn. Dat had alles te maken met het klimaat. Kijk, als het buiten 40 graden is, dan ga je je niet uitsloven, want dan ben je binnen no time doodmoe. Dus doe je het rustig aan. Dat begint al in Spanje en Italie met de siesta, het middagslaapje. Verder doe je niets wat niet echt noodzakelijk is. Dus je plukt wat fruit van de boom, je zaait wat en je oogst wat, je hebt een paar kippen of koeien en misschien wat aardappels of rijst geplant. Kortom, je bent geheel zelfvoorzienend. Je hebt net genoeg te eten en dat was het. Waarom zou je je verder nog druk maken?
In de noordelijke landen is een heel ander arbeids-ethos. Hierboven in Noord Europa was het koud, dus mensen gingen op zoek naar warmte. Bovendien naar voedsel. Schepen bouwen dus en de wijde wereld in. Vechten om te overleven, dat werd men hier met de paplepel ingegoten. Als hier niet genoeg warmte en voedsel is, dan ga je op zoek naar waar dat wel is. Vandaar dat de Nederlanders over de hele wereld kolonien bezaten.
De professor was ervan overtuigd dat ontwikkelingshulp voor Afrika een averechts effect had. Educatie is de oplossing. Geboortebeperking en educatie.
Hans Teeuwen had het hierover in een van z’n shows;
‘Als er een pot geld te verdelen is, gaat de mamma’s in Afrika eerst lekker uitgebreid eten koken. De mannen gaan eromheen staan kijken. Als het op is, gaat iedereen zijn roes uitslapen en de volgende dag is er weer niet genoeg te eten.
Terwijl ze veel beter bijvoorbeeld iets aan de infra-structuur kunnen doen’.
Hoe was je weekend? Waar ben je geweest en wat heb je gedaan? Dat zijn van die vaste vragen die je op maandagochtend te horen kan krijgen van je collega’s.
Hoe was het? O, het was OK. Niks bijzonders. Gewoon lekker gegeten, filmpje op Netflix gekeken, lekker uitgeslapen en o ja, ook nog een mooie wandeling gemaakt.
Waar ben je geweest? Ik ben thuis gebleven. Toch heb ik veel gedaan; ik las een boek, ik keek een film, ik ruimde mijn werkkamer op, ik deed mijn boekhouding en ik kookte Pasta Pesto.
Hoe was het? In de eerste situatie wordt geantwoord in de voltooide tijd, zonder heb, zoals vaak in spreektaal. Korte beschrijvingen van verschillende situaties dus.
Voltooide tijd of voltooid tegenwoordige tijd;
Ik heb in Amsterdam gewoond. (afgelopen situatie)
Ik heb mijn huis schoongemaakt. (afgelopen handeling)
Ik heb een nieuwe bril gekocht. (eenmalige gebeurtenis)
Als ik een fiets had, was mijn vervoersprobleem opgelost. (voorwaardelijke wijs)
Waar ben je geweest? Ik ben thuis gebleven. (afgelopen situatie) Daarna volgt een opsomming van bezigheden die je gedaan hebt, dus de situatie wordt meer gedetailleerd beschreven.
Dus verleden tijd en voltooide tijd worden beiden gebruikt, afhankelijk van de situatie.
Verleden tijd wordt vaak gebruikt bij een beschrijving; Er liepen veel mensen op straat.
Een gewoonte; Toen ik klein was, ging ik altijd lopend naar school.
Kort op elkaar volgende handelingen; Toen haar wekker afliep, stond ze op, ging naar beneden en maakte het ontbijt klaar.
Of voorwaardelijke wijs; als ik een fiets had, was mijn vervoersprobleem opgelost.
Dit gebruik van de verschillende tijden is lastig, zeker in een vreemde taal. Toch ga je, als je het snapt, veel meer van de taal begrijpen. Dat had ik met Frans ook. Frans heb ik eerst geleerd toen ik in Frankrijk ging druivenplukken. We verstonden geen woord Frans toen we weggingen, maar naarmate de tijd verstreek, verstond ik steeds meer woorden.
Als je dan de taal op school leert, met alle grammatica en lezen en schrijven, is dat natuurlijk heel wat anders. Zeker in het Frans, een taal die je anders opschrijft dan dat je het hoort. Een taal die altijd snel gesproken wordt en vaak moeilijk verstaanbaar.
Ik heb destijds aandachtig geprobeerd om bijvoorbeeld de speech van Jacques Delors te begrijpen, die in het teken van ‘Europese Studies’, de studie die ik deed in Amsterdam, als (1985-1995) voorzitter van de Europese Commissie, een lezing kwam geven in de Rai.
Het gene wat me van die speech vooral bijgebleven is, waren de woorden ‘L’ Europe Social’. Die woorden herhaalde Delors erg vaak in die speech. L’Europe Social betekende toen ook voornamelijk overdracht van Noord naar Zuid Europa. Iets wat nog steeds actueel is.
Moeten de Noord Europese landen garant staan voor de schulden van Zuid Europese landen? Nee, natuurlijk niet! zegt Noord Europa tegen Frankrijk.
Ga eerst maar eens naar een werkweek van 40 uur en verhoog maar eens de pensioenen tot 67 jaar. Het is toen niet gebeurd en het gebeurd nu, zo’n 35 jaar later, nog steeds niet. Frankrijk deed het niet, doet het niet en gaat het niet doen.
Maar dat is weer een heel ander verhaal.
Twee keer mocht ik de Stones live meemaken.
De eerste keer was ik 16 jaar en woonde ik in een kraakpand op de Langegracht in Amersfoort. Robbie Noordman, een vriend van me uit die tijd, ging mee naar het FC Den Haag stadion in Den Haag. Het was 1975, de Stones hadden net de plaat ‘Black & Blue’ uitgebracht. We gingen met de trein naar Den Haag en waren vastbesloten om vooraan te komen zodat we de Stones goed konden zien. Het voorprogramma duurde erg lang, 3 of 4 bands, waarvan ik me alleen de Meters nog herinner, een best aardige funk groep.
We stonden er inmiddels al een uurtje of 4 te wachten, toen opeens de Stones opkwamen. Alsof het licht ineens aan ging. Alle moeheid viel ineens van je af en voordat je het wist stond je uitbundig mee te zingen en te dansen. Vooral toen ze al hun oude hits speelden. Hoogtepunt van de show was onder het nummer ‘Sympathy for he Devil’, Mick Jagger gooide een emmer water over zich heen en nog een paar over het publiek vooraan. Daar stonden wij dus, uitzinnig van vreugde kregen we het water over ons heen. Kortom, helemaal los gegaan bij dat eerste Stones concert.
De terugweg eindigde op station Hoog Catherijne in Utrecht, de laatste trein naar Amersfoort was al weg. Er restte ons niet anders dan op het station te slapen en de eerste trein s’ochtends naar Amersfoort te nemen.
De tweede keer was 20 jaar later, ik was inmiddels 36 jaar, woonde in Dessau (Oost-Duitsland) en mijn toenmalige vriendin Lilian vergezelde me. Het concert vond plaats in Wolfsburg, op het Volkswagen fabrieksterrein. de Stones hadden net weer een nieuwe plaat, ‘Voodoo Lounge’. We gingen met de trein. Het voorprogramma duurde weer heel lang, een uur of vier hebben we zitten wachten. Helaas geen noemenswaardige acts in het voorprogramma. Het begon steeds donkerder te worden. Totdat het ineens keihard begon te regenen en de Stones opkwamen met het nummer Not Fade Away. ‘Well I’m gonna tell how it’s gonna be…..’ schalden de eerste woorden van Mick Jagger over het terrein met zeker zo’n 60 000 fans. Daar stonden de mannen in de stromende regen, nu met een lange jas aan en een hoed op. Binnen no time waren we drijfnat maar we merkten het niet. Ook hier viel alle moeheid van je af en hier ook weer helemaal losgegaan.
De terugweg eindigde, met honderden anderen, op het station Wolfsburg. Toen we er arriveerden, was de laatste trein weg en er kwam geen andere. Dus restte ons niets dan op het station overnachten en de eerste trein, van zes uur, te pakken terug naar huis, toen was dat in Dessau.
Dus beide concerten van de Stones lang gewacht voordat het begon en slecht geslapen op een station na afloop. Maar beide concerten waren onvergetelijk, ik had het voor geen goud willen missen.
Het boek van Eddy de Wind –Eindstation Auschwitz – Mijn verhaal vanuit het kamp (1943-1945) is een absolute aanrader. Het verhaal is een ooggetuige verslag vanuit het concentratiekamp Auschwitz en moet verplichte kost worden bij de geschiedenislessen op school. De Joodse arts Eddy de Wind ging in 1943 als vrijwilliger werken in het doorvoerkamp Westerbork, waar hij de jonge joodse verpleegster Friedel ontmoette, die uit Duitsland naar Nederland was gevlucht. Ze werken verliefd en trouwden in het kamp. In 1943 werden ze gezamenlijk per goederentrein naar Auschwitz getransporteerd. Daar scheidden hun wegen zich: Eddy kwam terecht in barak 9, Friedel in 10, de barak waar medische experimenten werden uitgevoerd.

De beschrijving is somber, gedetailleerd en wat me het meeste verbaasde, totaal zonder zelfbeklag. Hij maakt er, in de donkerste tijd van de geschiedenis en op dat moment op de rottigste plek op aarde, het beste van.
Een citaat waarin hij de kommando’s beschrijft, de werkgroepen zoals ‘Bauhofkammando’, die stenen moesten sjouwen en het ‘Kesselkommando’, die de waterige soep moest verdelen;
‘Als je elk van de factoren afzonderlijk nam, was er in zo’n commando wel te leven geweest. Het werk was zwaar, maar op zichzelf uit te houden. De slagen waren kwetsend, maar je werd niet doodgeslagen. Het brood en de soep was weinig, maar je had er een lui leventje op vol kunnen houden. Maar de combinatie van al die factoren: zoveel werk en slaag bij zo weinig eten, was ondraaglijk. En dan het ergste: gebrek aan rust. Werk, appѐl, controles, eten halen en als je eindelijk in een bont gezelschap van acht man uit heel Europa in een kooi lag, de vergeefse strijd tegen luizen en vlooien.’
Onthutsend, adembenemend en beschamend, wat zich in het kamp afspeelde. Een zwarte bladzijde uit de geschiedenis.
En dan lees ik in de krant dat gisterenmorgen, om 9 uur, weer een aanslag gepleegd is op het HaCarmel Joodse restaurant aan de Amstelveense weg. Voor de 5e keer in twee jaar tijd wordt het restaurant, een van de laatste Joodse restaurants van Amsterdam, aangevallen. Gisteren, 75 jaar geleden nadat de tweede wereldoorlog tot een eind kwam, bleek alweer dat de Jodenhaat weer springlevend is in Amsterdam.

AMSTERDAM – Opnieuw is het Joodse restaurant HaCarmel in Amsterdam aangevallen. De eigenaren zijn inmiddels de tel kwijt. De politie meldt vrijdagmiddag dat de verdachte de 31-jarige Palestijns-Syrische vluchteling Saleh A. is. Hij werd in juli 2018 door de rechter veroordeeld wegens vernieling van ruiten en diefstal van een vlag in hetzelfde restaurant. Dat gebeurde in december 2017.
Bedoelde de Koning met ‘niet wegkijken’ en ‘niet normaal gaan vinden’ ook dat we de aanvallen op Joden in het Europa van nu niet meer moeten bagatelliseren? Dat gebeurde namelijk wel, de dader die hernieuwd toe heeft geslagen, kwam er de vorige keer met 6 weken gevangenis en een gebiedsverbod van af. Het gebeurde werd niet als ‘terroristische daad’ beschouwd.
Wat is dat toch met die softe straffen in Nederland? Ze maken stinkende wonden.
Hoe lang nog?
Het was 1973 en ik zat op Don Bosco, een katholiek jongensinternaat annex middelbare school in Leusden bij Amersfoort. Het geheel werd gerund door paters. Na school gingen we onder toezicht huiswerk maken, voor en na het eten een uurtje. Op Zondag waren er kerkdiensten, waarvan ik er een enkele heb meegemaakt want het was niet verplicht.
S’ avonds na het studie uur hadden we vrij tot 22 uur, dan moesten we naar de slaapzaal. Deze tijd werd gevuld met spelletjes of t.v. kijken.
De t.v. stond in een klein t.v. zaaltje, waar zo’n 20 jongens in konden. Als er geen voetbal of Top Pop was, zaten er maar enkele jongens te kijken naar een of andere duffe film of quiz. Maar als ‘De Stille Kracht’ kwam met Hugo Metsers en Pleuni Touw, dan was het zaaltje te klein want die gingen soms uit de kleren (je moest er wel lang op wachten een het duurde ook heel kort) en iedereen wilde de tieten van Pleuni Touw maar wat graag zien om er al dan niet luidruchtig commentaar bij te leveren.
Daarnaast kon je tafelvoetballen, wat mijn favoriete tijdverdrijf was, ik moet in die jaren vele uren tafelvoetbal gespeeld hebben. Daarnaast waren pingpongen of biljarten populair. In de zomermaanden werd dan buiten gevoetbald.
We beschikten over een gezamelijke huiskamer, waar je spelletjes kon doen als dammen, schaken, sjoelen of Mens Erger Je Niet. En, tenslotte stond er een pick-up waar je zelf platen voor mocht meenemen.
Het eerste jaar was bijna iedereen nog Deep Purple fan, de elpee ‘Deep Purple in Rock’ lag vaak op de draaitafel, naast ‘Ten Years After – Recorded Live’.
Het tweede jaar begonnen zich kleine groepjes te vormen, de ‘Soul kikkers’ en de ‘Blues kikkers’.
Dat kwam mede door de komst van een lange jongen uit Curacao, Lex Janga genaamd. Hij kwam met de, volgens hem, ‘beste elpee aller tijden’ en dat was de live elpee van James Brown – ‘Revolution of the Mind’. Vrijwel dagelijks schalde de dubbel live elpee van James Brown door de gemeenschappelijke ruimte.
Daarnaast waren er een paar jongens, die, zo werd gefluisterd ‘drugs rookten’ en die Jimi Hendrix draaiden en de dubbel elpee van de Rolling Stones – ‘Exile on Main Street’. Die werden door de zelfbenoemde ‘soulkikkers’ de ‘blueskikkers’ genoemd.
Beetje vaag allemaal. Later ben ik de soul muziek pas echt gaan waarderen. Nadat ik jarenlang platen van Deep Purple, Led Zeppelin, Uriah Heep en Black Sabbath had gedraaid. Dat soort muziek, eigenlijk hardrock. Symfonische rock draaide ik ook met mijn vrienden; vooral natuurlijk Pink Floyd, maar ook de eerste platen van Genesis (met Peter Gabriel als zanger) en de eerste platen van Yes en Emerson, Lake & Palmer.
Ongeveer een jaar of tien later begon ik me te interesseren voor soul. Het begon met Motown. Stevie Wonder, Smokey Robinson & the Miracles, Supremes, Four Tops en ja, James Brown.
De plaat ‘Revolution of the Mind’ schafte ik ook aan. ‘Soul Power’, ‘Sex machine’, ‘Hot Pants’. Het was feestmuziek en het swingde als een trein. Sindsdien maakt soul een onlosmakelijk deel uit van mijn platenverzameling. Natuurlijk ook de ‘Queen of Soul’ Aretha Franklin, volgens mij de beste zangeres aller tijden.
Mijn favoriete zanger is Al Green, verder hou ik van Curtis Mayfield, Stevie Wonder en Marvin Gaye.
Fietsen is heerlijk, ik doe het graag en veel. Soms zie ik dan langs sloten, grachten of kanalen vissers zitten vissen. Onbeweeglijk staren ze op hun hengel. Dat is niks voor mij, ik fiets liever.
De uitspraak van de ie en de i is best lastig voor buitenlanders. Wanneer mijn vrouw het heeft over fietsen of vissen en dan weet ik niet altijd over welke van de twee het gaat.
Vissen vind ze inderdaad interessanter dan fietsen, logisch want ze ik kok en vis staat vaak op het menu bij ons thuis. Toch vind ze fietsen interessanter sinds ze zelf meer fietst. We fietsen ook vaker samen.
De R, dat is bekend, is moeilijk uitspreekbaar voor Aziaten. Ik herinner me de afhaalchinees, die altijd vroeg; ‘Sambal bij?’ omdat ze eRbij niet uit kon spreken. ‘Ja, graag sambal erbij!’.
Daarnaast is de uitspraak van de ui nog steeds een ding. Een huis met een tuin klinkt dan als ‘een haus met een taun’.
De UU, dat is bekend, blijft een van de moeilijkste klinkers voor buitenlanders.
De UU wordt maar wat vaak uitgesproken als OE. Iedereen kent de mop van Ali op inburgeringsles, die leest; ‘ik moet de hoer deze maand nog betalen’. Waarop de docent zegt; ‘wat vind je vrouw daarvan?’
De eu is ook een lastige, meestal hoor ik; ik sta in de koken, ipv in de keuken.
‘Ik sta te koken in de keuken’ zeg ik dan altijd.
De G, in combinatie met de R, is er ook een. Het zachte erretje uit het Gooi komt nog wel een om de hoek kijken, ook lelijk, EJJJG lelijk.
De IJ is voor Engelstaligen ook een dingetje. Wij zijn blij wordt dan; Wai zain blai. Terwijl de Nederlandse IJ veel hoger klinkt. Of de EI, want die klinkt hetzelfde.
Het gekke is dat, wanneer ik mijn Thaise vrouw vraag om ‘Wij zijn blij’ te zeggen, ze iets voortbrengt wat lijkt op; ‘Wѐ zѐn blѐ’.
Wanneer ik dan vraag om alleen de IJ uit te spreken, lukt het haar dan wel, maar als er medeklinkers omheen staan, lukt het eenvoudig weg niet.
De klinkers goed uit kunnen spreken is het begin van goed Nederlands spreken. Vele lessen met beginners ben ik dan ook begonnen met klinkers uitspreken, ik maakte er dan een leesblad van;
Want je kan over een enorme woordenschat beschikken, als je de woorden niet goed uitspreekt, dan snapt niemand waar je het over hebt. Behalve docenten Nederlands soms, want die hebben een geoefend oor.
Maar niet altijd. Dat je een Nederlandse naam niet goed verstaat als die door een buitenlander wordt uitgesproken, is mij ook wel eens overkomen. Ik stond op mijn fiets voor het stoplicht op de Dam te wachten, toen een Amerikaanse toerist op me afkwam met de vraag:
‘Sorry sir, do you know the Kresneppelskai’?
Als de man een Chinees geweest was, had ik waarschijnlijk net zoveel verstaan.
‘Sorry, I don ’t know’ moest ik dus wel antwoorden. Toen het licht op groen sprong en ik verder fietsend omhoog keek, zag ik ‘Hotel Krasnapolsky’.
Kortom, de goede uitspraak is alles.
De beste dodenherdenking van na de oorlog, in ieder geval degene die het meeste indruk maakte. Was het niet vanwege de lege Dam, dan wel door de speech van de Koning. Voor de eerste keer kwam hij goed over, met krachtige stem. Ineens stond die baard hem eigenlijk best goed. Ook zijn houding was veel beter. Het deed me de nogal cliché- matige speech over de Corona crisis gelukkig vergeten. Vooral, en dat wordt ook alom geprezen in de landelijke pers, was het heel goed dat hij de hand in eigen boezem stak. Oftewel, hij gaf toe dat zijn oma Wilhelmina niet veel deed tegen de Jodenvervolging, waardoor velen teleurgesteld in haar raakten. Moedig om dat te zeggen en niets dan lof voor deze eerlijkheid.
Ik moet in dat verband even terugdenken aan mijn schooltijd op de moedermavo, waar we een discussie voerden over het begin van de oorlog en de vlucht van het Koningshuis naar London.
Dick, een gepensioneerd KNIL er, die elk jaar nog voor achterstallig soldij op het binnenhof ging demonstreren, had er geen goed woord voor over. ‘Landverraad’, zo zei hij stellig. De rest van de klas schrok ervan, gewend om alles wat met het Koningshuis te maken heeft te bewonderen.
Mijn vader was dezelfde mening toegedaan. ‘Op het moment dat de nood het hoogste is, laat je je volk in de steek’. Een laffe daad.
Andere koningshuizen, zie België, werden ongemoeid gelaten door de Duitsers. De beslissing van de Belgische Koning om in België te blijven, was dan ook zeer moedig te noemen en werd door de Belgen zeer gewaardeerd. Dat hij verder weinig invloed kon uitoefenen op de gebeurtenissen, is bijzaak. Het gaat om het principe, je blijft bij je volk, juist in moeilijke tijden.
Het zijn van die kleine woordjes die in de spreektaal ertussen gekropen zijn en die het wat smeuïger doen klinken. Wat ze nu eigenlijk betekenen valt soms moeilijk te zeggen, maar als ze weggelaten worden klinkt de Nederlandse taal ineens erg droog en staccato.
‘Even’.
Even denken , Even wachten of Wacht even = momentje, ogenblikje
Ook in andere context; even kijken, even een boodschapje doen, even bellen = het duurt beslist niet lang, maar het duurt maar even. Dat is de strekking van dat ‘even’.
‘Effe’.
In het Amsterdams wordt ook ‘Effe’ gebruikt, wat staat voor iets dat je ‘effe’ doet, maar wat een enorme prestatie is. Bijvoorbeeld: een hele nieuwe woonwijk wordt ‘effe’ uit de grond gestampt.
‘De hele ringweg moet nieuw worden geasfalteerd. Effe’.
‘Effe’ is hier dus iets wat niet eventjes te doen is maar wel een hele klus is.
‘Effe’ in deze context is dus juist het tegenovergestelde van ‘even’.
‘Joh’.
‘Goed gedaan joh’. Hee jongen, hoe gaat-ie?. Nou man, wat een toestand. Als vrienden elkaar begroeten.
‘Jongeman’.
‘Zo jongeman, wat zijn we hier aan het doen?’ Iemand die deze vraag stelde was vaak van hogere afkomst. De persoon in kwestie kon een burgemeester of politie agent zijn. Het klinkt nogal bekakt voor een eenvoudige boerelul (om het maar eens goed duidelijk te maken).
Vreemd genoeg is het meestal het mannelijke geslacht dat joh, jongen of man achter een zin krijgt, bij meisjes of vrouwen helemaal niet. Toch hoor je soms vrouwen onderling dingen zeggen als;
Leuk weekend gehad joh, lekker naar het zwembad geweest met de jongens. Dus ‘joh’ in plaats van ‘meid’. Het woordje ‘meid’ hoor je de laatste jaren trouwens wel weer vaker.
‘Jongen’.
‘Gelachen jongen!’ Nou dat kan ik me wel voorstellen, zoals er dan na een smakelijke anekdote lachend gezegd wordt met vrienden onder mekaar.
‘De jongens’, daarmee worden vaak zowel de dochters als de zonen bedoeld, de kinderen dus. Die worden aldus aangeduid als een vader of een moeder het over de kinderen heeft.
In mijn studententijd had ik een Franse vriendin en gebruikte ik nogal veel het woordje ‘joh’. Dus bijvoorbeeld ‘ik heb nou toch een goeie plaat gekocht joh!’ hetgeen spreektaal was en waarmee ik mijn enthousiasme onderstreep met dat drieletter woordje ‘joh’. Toen zij het onbewust zelf ging gebruiken werd ze daarop geattendeerd door en Nederlands vriendinnetje, die het gebruik van ‘joh’ helemaal niet kon waarderen.
‘Hoor’.
‘leuke vakantie gehad?’ ‘Ja hoor, lekker 3 weken naar Frankrijk geweest, heerlijk!. Hoor betekent eigenlijk niets, je kan het ook weg laten, maar het klinkt gewoon lekkerder. Zo van ‘hoor je me?’. Maar let maar eens op hoe vaak het woordje ‘hoor’ wordt gebruikt, hoor!
Hѐ?
‘Hѐ?’ diende te allen tijde te worden vermeden, al moet ik zeggen dat ik het zelf soms onbewust toch gebruik, bijvoorbeeld; ‘lekker weer hѐ?’ . In deze context geeft het woordje in het kort aan dat verwacht wordt dat de gesprekspartner het er helemaal mee eens is. hѐ? Betekent hier zoiets als; ‘vind je ook niet?’.
Dat is nog acceptabel, lijkt me. Al moet je het niet te vaak horen. Wat echter absoluut niet kon, wat gebruik maken van het woordje ‘hѐ?’in de zin van; ‘wat zeg je?’. Als ik thuis bij het avondeten als kind het woordje gebruikte om te vragen wat iemand zei, kreeg ik steevast te horen dat dat een varkensvloekwoord was dat ik absoluut niet meer mocht gebruiken.
‘Hee’.
Laten we eerlijk zijn, hee is een vreselijk rotwoord om iemand mee aan te spreken die je niet kent.
Ik zal nooit vergeten dat ik na 10 jaar in Duitsland gewoond te hebben, in Amsterdam op het Damrak aangesproken werd met; ‘Hee, waar is het station?’. Ik deed net of ik het niet hoorde, maar ik ergerde me groen en geel. Als daarentegen een vraag begonnen wordt met
‘Dag meneer, mag ik u iets vragen?’ kan degene die dit zegt al mijn aandacht krijgen en zal ik hem of haar zo goed mogelijk informeren of verder helpen.
Als dan de vraag komt waar het station is, ben ik desnoods nog bereid om met hem of haar een stuk mee in de goede richting te lopen.
Je kan een oorlogsboek het hele jaar lezen, maar vaker wordt rond de tijd van de dodenherdenking en bevrijdingsdag een goed boek over de oorlog gelezen.
Erg goeie oorlogsboeken vond ik bijvoorbeeld vrijwel alle boeken van Armando. Vooral ‘In Berlijn’ en ‘De straat en het struikgewas’ zijn onvergetelijk en geven een duidelijk beeld van de gemoedstoestand van mensen in de oorlog.

‘De Aanslag’ van Harry Mulisch is een klassieker en de verfilming van Fons Rademakers werd een succes. Een minder bekend boek van Mulisch was ‘De toekomst van gisteren’, waarin hij Albert Speer interviewt, een zeer intelligente man, die hem Hitlers plannen ontvouwde voor na de oorlog.
Als Hitler de oorlog gewonnen zou hebben, dan ….vermeld de achterflap van het boek, waarop we een foto zien uit 1971 van een jonge Mulisch met Albert Speer.
‘Tijdens de oorlog maakte hij, de aanvankelijke architect van het derde Rijk, naam als minister van bewapening, beheerste het produktieapparaat van vrijwel heel Europa, was daarmee verantwoordelijk voor miljoenen dwangarbeiders uit talloze bezette landen, en op zeker ogenblik was hij in de hiërarchie de tweede man na Hitler. Ofschoon hij ten slotte plannen maakte om zijn Führer naar de andere wereld te helpen, kwam zijn vlijt hem in het proces Neurenberg toch te staan op twintig jaar gevangenisstraf’. Aldus begint Mulisch op bladzijde 174 van het boek. Daarna begint het interview met Speer, een man die al met zijn biografie ‘Erinnerungen’, geschreven in de Spandau gevangenins, grote indruk had gemaakt.
Als derde Nederlands schrijver mag Willem Frederik Hermans niet ontbreken; ‘Herinneringen aan een Engelbewaarder’, maar vooral ‘De donkere kamer van Damokles’ zijn indrukwekkende boeken van Nederlanders in oorlogstijd.
Deze week las ik ‘Eindstation Auschwitz’, een indrukwekkend ooggetuigeverslag van Eddy de Wind. Adembenemend, lees dat boek.